Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 17 oktober 2024
ECLI:NL:RBNHO:2024:10981
Feiten
Werknemer is op 16 juni 2009 in dienst getreden bij de rechtsvoorganger van werkgeefster. Per 1 januari 2020 is dit dienstverband overgenomen door werkgeefster in het kader van een activaoverdracht. In de arbeidsovereenkomst is de functie van algemeen directeur vermeld. Het salaris bedroeg laatstelijk € 12.500 bruto per maand exclusief emolumenten. Werknemer is bestuurder en enig aandeelhouder van een onderneming, die tegelijkertijd als een van de drie statutaire bestuurders van de onderneming van werkgeefster optrad. De drie statutair bestuurders bezitten 100% van de aandelen in de onderneming van werkgeefster. Tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders (hierna: AvA) van 25 april 2024 is de onderneming van werknemer bij meerderheidsbesluit als statutair bestuurder van werkgeefster ontslagen. Na de AvA heeft werknemer zijn werkzaamheden weer als gebruikelijk verricht. Op 21 mei 2024 heeft werkgeefster aan werknemer meegedeeld dat met het ontslag van zijn onderneming tijdens de AvA ook zijn arbeidsovereenkomst was geëindigd en dat zijn loon nog over de opzegtermijn zou worden betaald. Werknemer betwist de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en sommeert werkgeefster tot loondoorbetaling. Werknemer meldt zich op 12 juni 2024 ziek. Er volgt een kort geding waarin werknemer loondoorbetaling en wedertewerkstelling vordert. Deze vorderingen zijn grotendeels toegewezen. In de bodemprocedure verzoekt werknemer primair een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst niet is opgezegd en dat de opzegging nietig is en subsidiair de opzegging te vernietigen en werkgeefster te veroordelen tot loondoorbetaling, toelating tot het werk en toegang tot het systeem. Werkgeefster gaat akkoord met het primaire verzoek. Voor alle overige vorderingen heeft de kantonrechter in kort geding al een vonnis gewezen, zodat werknemer geen belang heeft om daar een uitspraak over te vragen. De proceskosten zijn onnodig gemaakt, omdat werkgeefster niet in de gelegenheid is geweest om vrijwillig akkoord te gaan.
Oordeel
Het primaire verzoek wordt wegens de erkenning van werkgeefster toegewezen en wel in die zin dat voor recht wordt verklaard dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet is opgezegd of anderszins is beëindigd. Het verweer van werkgeefster, dat werknemer bij zijn overige verzoeken geen belang heeft en daarom ten onrechte deze procedure heeft aangespannen, wordt verworpen. In het kortgeding vonnis heeft de kantonrechter overwogen dat hij de e-mail van 21 mei 2024 als een opzegging beschouwt en dat hij ervan uitgaat dat werknemer in een nog aan te brengen bodemprocedure een verzoek tot vernietiging van die opzegging zal doen. Omdat daarvoor een vervaltermijn geldt (artikel 7:686a lid 4 onder a BW), had werknemer er belang bij om tijdig deze bodemprocedure aan te spannen. Bovendien is ter zitting gebleken dat hij zijn loon over augustus 2024 nog steeds niet had ontvangen en dat hij pas op 13 september 2024, dus na het aanbrengen van het verzoekschrift, toegang heeft gekregen tot het systeem van werkgeefster. Overigens heeft werknemer ter zitting (onweersproken) gesteld dat werkgeefster bij e-mail van 6 augustus 2024 in de gelegenheid is gesteld om de verzoekschriftprocedure te voorkomen en dat hij daarop geen reactie heeft gekregen. Nu de arbeidsovereenkomst nog bestaat, moet werkgeefster haar werkgeversverplichting tot betaling van het loon en tot wedertewerkstelling (na herstel van ziekte) nakomen.