Rechtspraak
Rechtbank Overijssel (Locatie Almelo), 5 november 2024
ECLI:NL:RBOVE:2024:5748
Feiten
Werknemer is van 1 mei 2019 tot 1 april 2022 in dienst geweest van Coulisse B.V., eerst als projectmanager contract, later als internal accountmanager. Hij verzorgde met name de inkoop van Coulisse. In maart 2022 heeft zich een incident voorgedaan. Op 19 maart 2022 had de mede-eigenaar van Coulisse contact met een van de opdrachtnemers van Coulisse. Die opdrachtnemer gaf aan dat werknemer met hem een bijzondere afspraak had gemaakt. Die afspraak hield in dat de waarde van bepaalde goederen van Coulisse die door werknemer aan de opdrachtnemer geleverd waren, en die administratief buiten de systemen van Coulisse waren gehouden, verrekend kon worden met een factuur van de opdrachtnemer aan werknemer privé. Die factuur betrof een door de opdrachtnemer aan werknemer in privé geleverde vloer. Op 21 maart 2022 hebben Coulisse en werknemer over voornoemd incident gesproken. Eind maart 2022 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst getekend ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst. In de vaststellingsovereenkomst staat dat werknemer Coulisse finale kwijting verleent (en niet tevens andersom). Coulisse vordert veroordeling van werknemer tot betaling van twee schadeposten, te weten (1) de aan de opdrachtnemer geleverde goederen met een marktwaarde van € 4734,73 inclusief btw en (2) heimelijk declaratiegedrag ten bedrage van € 1055,03 inclusief btw. Werknemer stelt – kort gezegd – dat geen schade is geleden, dat hem finale kwijting is verleend en dat Coulisse schadebeperkend had moeten optreden.
Oordeel
De kantonrechter volstaat het met bespreken van het beroep van werknemer op finale kwijting, omdat dat beroep slaagt. In dat kader overweegt de kantonrechter als volgt. Partijen hebben eind maart 2022 een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij de arbeidsovereenkomst is beëindigd. In de overeenkomst staat onder meer dat werknemer Coulisse algehele finale kwijting verleent. Partijen zijn bewust deze eenzijdige finale kwijting overeengekomen. Dit betekent echter niet dat aan de inhoud van een daaraan voorafgaande brief van 25 maart 2022 geen betekenis toekomt. Ook die brief van Coulisse gaat over kwijting. De brief vermeldt onder meer dat volgens Coulisse geen schade is geleden in de kwestie van het leveren van goederen aan de opdrachtnemer, dat Coulisse nog nader onderzoek zou doen naar het handelen van werknemer en voor het geval er andere onoirbare zaken boven tafel zouden komen zij zich het recht voorbehoudt deze schade op werknemer te verhalen. In zoverre wenste Coulisse een eenzijdige finale kwijting overeen te komen. Volgens (de gemachtigde van) werknemer is dat zo ook expliciet besproken ten tijde van het aangaan van de vaststellingsovereenkomst en is mede daarom door werknemer ingestemd met deze vaststellingsovereenkomst. De kantonrechter is van oordeel dat werknemer het voorstel in de brief in elk geval zo mocht begrijpen dat Coulisse na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst qua aanspraken niet terug zou komen op beide al bekende kwesties, maar alleen op nieuwe aangelegenheden. Die toezegging is daarmee onderdeel geworden van de vaststellingsovereenkomst. De kantonrechter overweegt daarbij dat onduidelijkheid over deze alinea voor rekening en risico van Coulisse komt, als werkgever en opstellende partij. De conclusie luidt dat Coulisse werknemer niet meer kan aanspreken voor beide kwesties. Afwijzing van de vordering volgt.