Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Zaanstad), 25 oktober 2024
ECLI:NL:RBNHO:2024:11578
Feiten
Op 1 april 2023 is werknemer in dienst getreden als rijwielhersteller op basis van een arbeidsovereenkomst voor één jaar. Medio 2023 is werknemer een BBL-opleiding fietstechniek leerniveau 3 gaan volgen. Vanwege deze opleiding hebben partijen op 3 november 2023 een stageovereenkomst getekend. In een e-mail van 30 november 2024 heeft werkgever aan werknemer een officiële waarschuwing gestuurd vanwege het stelselmatig te laat komen op het werk. Op 17 februari 2024 heeft werkgever aan werknemer schriftelijk bericht dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd en eindigt op 31 maart 2024. Op 21 februari 2024 heeft werknemer zich per Whatsapp-bericht ziek gemeld. Hij heeft niet meer gewerkt tot het einde van het dienstverband. Op 14 maart 2024 heeft werkgever aan werknemer een vaststellingovereenkomst voorgelegd. Deze heeft werknemer niet getekend. In een e-mail van 31 maart 2024 heeft werknemer aan werkgever gevraagd om betaling van onder meer verschillende ingehouden bedragen en de transitievergoeding. Op 10 september 2024 heeft werkgever de transitievergoeding, de resterende vakantie-uren en de reiskosten betaald. In deze zaak verzoekt werknemer (nadat het dienstverband tot een einde is gekomen) om werkgever te veroordelen tot betaling van onder meer verrekende minuren, niet uitbetaalde meeruren en schadevergoeding.
Oordeel
Volgens werknemer hebben partijen afgesproken dat hij de opleiding tijdens werktijd mocht volgen. Werknemer stelt dat werkgever 66 opleidingsuren ten onrechte heeft ingehouden op de eindafrekening. Werkgever voert aan dat partijen juist hebben afgesproken dat de opleidingsuren voor rekening van werknemer komen, dat werknemer verlof zou opnemen voor de uren waarin hij zijn opleiding volgde en dat hij dat in het begin ook heeft gedaan. Niet in geschil is dat werkgever 6,5 opleidingsuren, die eerder waren ingehouden, alsnog op 16 september 2024 aan werknemer heeft betaald. In geschil is dus of werkgever 59,5 opleidingsuren mocht inhouden op de eindafrekening. De kantonrechter is van oordeel dat werkgever dit niet mocht doen. Vast staat dat werkgever de gestelde afspraak niet op papier heeft gezet en ter zitting is namens werkgever verklaard dat zij ook geen verlofregistratie bijhield. De kantonrechter overweegt dat het aan werkgever is om een dergelijke afspraak schriftelijk vast te leggen en om een adequate verlofregistratie bij te houden. Verder staat vast dat werkgever de gestelde afspraak zelf niet heeft nageleefd door de opleidingsuren niet voor rekening van werknemer te brengen hoewel werknemer geen verlof had opgenomen. Het achteraf verrekenen vindt de kantonrechter daarom in strijd met goed werkgeverschap. Dit deel van het verzoek zal daarom worden toegewezen. Dan de meeruren. De kantonrechter overweegt dat het op de weg van werknemer ligt om zijn stelling dat hij structureel twee uur per week meer werkte dan de overeengekomen arbeidsomvang van 38 uur en dat hij dus twee uur per week te weinig betaald kreeg, te onderbouwen. Dat heeft werknemer niet gedaan. Dit deel van het verzoek wijst de kantonrechter daarom af. Tot slot de schadevergoeding. Werknemer stelt dat hij schade lijdt omdat werkgever de verplichtingen uit de stageovereenkomst niet is nagekomen. Hierdoor kan hij zijn opleiding niet afronden, zal hij dit schooljaar opnieuw moeten doen en daarom zal hij (extra) kosten moeten maken. Werkgever stelt alle verplichtingen uit hoofde van de stageovereenkomst te zijn nagekomen. Verder blijkt volgens werkgever niet dat werknemer het schooljaar moet overdoen, en dat dit door zijn toedoen is. Het verweer van werkgever slaagt, zodat dit deel van het verzoek wordt afgewezen.