Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 6 februari 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:2757
Feiten
Werkneemster, sinds 1 juni 2009 in dienst bij werkgever als senior inspecteur, werkt 36 uur per week onder de cao Rijk. Sinds februari 2023 is X haar direct leidinggevende. In een e-mail van 27 november 2023 stelde leidinggevende dat de autonome werkwijze van werkneemster en moeizame samenwerking haar moeilijk plaatsbaar maken in projecten, waardoor zij niet in de door haar gewenste projecten kon worden ingezet. Op 13 december 2023 werd een verbetertraject aangekondigd en op 14 mei 2024 vastgesteld, ondanks werkneemsters bezwaren. Zij stemde op 15 mei 2024 in met deelname. Het traject omvatte zeven verbeterpunten binnen vier competentiegebieden en kende twee fasen. Na evaluatie zou bij onvoldoende verbetering herplaatsing in een lagere functie of beëindiging van het dienstverband volgen. Op 22 oktober 2024 concludeerde leidinggevende dat voortzetting van het traject zinloos was. Werkgever droeg werkneemster bij e-mail van 7 november 2024 op mee te werken aan herplaatsing en wijzigde per direct haar takenpakket. Werkneemster meldde zich op 9 december 2025 ziek; de bedrijfsarts achtte haar niet belastbaar. Werkneemster vordert herstel van haar gebruikelijke werkzaamheden onder de gebruikelijke condities. Zij stelt dat het verbetertraject onterecht en ondeugdelijk was en dat de daarop gebaseerde conclusies ongerechtvaardigd zijn. Het ontnemen van projecten schaadt haar reputatie en positie. Werkgever concludeert tot niet-ontvankelijkheid, dan wel afwijzing van de vordering, met proceskostenveroordeling. Hij stelt dat werkneemster onvoldoende verbetering heeft getoond, niet meewerkt aan herplaatsing en dat de projecttoewijzing binnen zijn instructierecht valt.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt dat werkneemster een spoedeisend belang heeft bij haar vordering, nu zij stelt dat het herstel van haar gebruikelijke werkzaamheden schade aan haar reputatie en positie kan beperken en haar kansen op baanbehoud vergroot. In kort geding wordt beoordeeld of de vordering in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Werkgever baseert de wijziging van werkneemsters takenpakket op haar vermeend disfunctioneren, waarbij hij verwijst naar eerdere beoordelingen en het verbetertraject van 2024. De kantonrechter overweegt dat eerdere beoordelingen weliswaar kritiek bevatten op werkneemsters samenwerking en werkorganisatie, maar dat daaruit niet blijkt dat zij disfunctioneert in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub d BW. De kantonrechter constateert dat het verbetertraject onvolledig is geëvalueerd en dat werkgever niet concreet heeft onderbouwd in welke opzichten werkneemster ongeschikt is voor haar functie. Aangezien de wijziging van het takenpakket expliciet is gekoppeld aan het gestelde disfunctioneren, ontbreekt daarvoor een deugdelijke grondslag. Werkgever doet een beroep op zijn instructierecht ex artikel 7:660 BW, maar de kantonrechter oordeelt dat dit niet strekt tot het structureel ontnemen van wezenlijke taken op grond van vermeend disfunctioneren, zonder dat dit voldoende is onderbouwd. De vordering van werkneemster wordt daarom toegewezen, met dien verstande dat die pas kan worden uitgevoerd zodra werkneemster hersteld is gemeld. De gevorderde dwangsom wordt gematigd en beperkt. Werkgever wordt veroordeeld in de proceskosten.