Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/gemeente Groningen
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11 februari 2025
ECLI:NL:GHARL:2025:842
Arbeidsongeschikte (voormalig) werkneemster van de gemeente heeft geen recht heeft op de extra aanvulling van het inkomen en de bovenwettelijke aanvulling op grond van het pensioenreglement zoals omschreven in de cao. Geen sprake van buitensporige arbeidsomstandigheden.

Feiten

Werkneemster was vanaf 1 mei 1996 in dienst van de gemeente. Zij werkte laatstelijk als medewerkster Loket parkeren bij de afdeling Verkeer & Vervoer. In een e-mail van 23 januari 2014 heeft werkneemster aan haar toenmalige leidinggevende laten weten dat het op haar werkplek erg koud is en dat de situatie (voor haar) niet veel langer werkbaar is. In de periode van 8 maart 2011 tot 18 april 2013 is werkneemster arbeidsongeschikt geweest. In de periode van 18 april 2013 tot en met 27 februari 2017 is zij elfmaal kortdurend uitgevallen, variërend van periodes van twee dagen tot veertien dagen. Op 27 februari 2017 is werkneemster opnieuw uitgevallen met fysieke en mentale klachten. Op 30 juli 2018 is zij weer arbeidsgeschikt gemeld. Op 28 maart 2019 is zij opnieuw volledig uitgevallen met dezelfde klachten als begin 2017. In de periode tussen 20 juli 2018 en 28 maart 2019 had werkneemster al diverse keren preventief contact gehad met de bedrijfsarts. In die contacten was gesignaleerd dat de eerder al benoemde knelpunten nog steeds bestonden en dat hernieuwde uitval dreigde. De re-integratie is na die uitval niet meer van de grond gekomen. In een rapport van 8 april 2021 concludeert de arbeidsdeskundige van het UWV dat de gemeente onvoldoende heeft gedaan aan de re-integratie. In een beslissing van 9 april 2021 heeft het UWV aan werkneemster met ingang van 25 maart 2021 een WGA-uitkering toegekend in de klasse van 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid. In een beschikking van 25 februari 2022 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de gemeente ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door ernstig tekort te schieten in haar re-integratieverplichtingen en is een billijke vergoeding toegekend. Tegen die beslissing is geen hoger beroep ingesteld. Het UWV heeft in een beschikking van 28 april 2022 aan werkneemster een IVA- uitkering toegekend per 16 december 2021. Op 1 maart 2022 heeft werkneemster aan de gemeente verzocht om uitvoering te geven aan het bepaalde in artikel 7.3 van de cao. Dat verzoek heeft de gemeente afgewezen met een brief van 31 maart 2022. Werkneemster heeft vervolgens op 7 december 2022 deze zaak aanhangig gemaakt. Centraal staat de vraag of werkneemster arbeidsongeschikt is geraakt in en door de dienst als bedoeld in artikel 7.3 lid 1 van de cao Gemeenten (hierna: de cao). Werkneemster heeft een verklaring voor recht gevorderd dat daar sprake van is, zodat zij recht heeft op de extra aanvulling van het inkomen en de bovenwettelijke aanvulling op grond van het pensioenreglement zoals omschreven in de cao in artikel 7.3 lid 2 en 3. De kantonrechter heeft deze vorderingen afgewezen. Volgens haar was er geen sprake van de buitensporige arbeidsomstandigheden die worden vereist voor toepassing van artikel 7.3 cao. De bedoeling van het hoger beroep van werkneemster is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen.

Oordeel

Op grond van vaste jurisprudentie van de CRvB dienen voor de vraag of een betrokkene arbeidsongeschikt is geworden in en door de dienst, de in het werk of de werkomstandigheden gelegen bijzondere factoren die de arbeidsongeschiktheid zouden hebben veroorzaakt, te worden geobjectiveerd. Volgens de gewone regels van het bewijsrecht rust de stelplicht en zo nodig de bewijslast dat sprake was van buitensporige omstandigheden op werkneemster. Zij zal dus voldoende aannemelijk moeten maken dat er sprake was van buitensporige arbeidsomstandigheden. Het hof oordeelt dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat er sprake was van buitensporigheid op de diverse door werkneemster aangevoerde aspecten van haar arbeidsomstandigheden. Wel is gebleken dat op diverse onderdelen de arbeidsomstandigheden niet ideaal waren en dat de gemeente ook verwijt treft ten aanzien van de wijze waarop zij is omgegaan met de re-integratie van werkneemster. Vanuit de beleving van werkneemster en haar uit de medische stukken blijkende psychische kwetsbaarheid is alleszins voorstelbaar dat zij die arbeidsomstandigheden als buitensporig heeft ervaren. De verschillende tekortkomingen maken bezien in hun onderlinge verband echter niet dat de arbeidsomstandigheden in zijn geheel objectief bezien, dus los van een meer dan gemiddelde, individuele gevoeligheid van de betrokken werknemer, als buitensporig moeten worden aangemerkt. Het algehele beeld dat uit het dossier oprijst, is dat van arbeid die niet onder optimale arbeidsomstandigheden werd verricht, maar die objectief nog niet als buitensporig kunnen worden gekwalificeerd. Omdat wordt geoordeeld dat niet is gebleken van buitensporige arbeidsomstandigheden komt het hof niet toe aan de vraag of de arbeidsongeschiktheid van werkneemster, die in elk geval sterk psychisch van aard is, in overwegende mate verband houdt met haar werk bij de gemeente. Die vraag ligt in deze procedure daarmee niet (meer) voor. In zijn algemeenheid merkt het hof op dat uit zowel het rapport van De Vries als het eerste rapport van X naar voren komt dat bij werkneemster sprake is van pre-existente psychische klachten die hun oorsprong lijken te vinden in haar jeugd. Of daarmee ook sprake is van een evident andere oorzaak van de arbeidsongeschiktheid is echter een vraag waar het hof in deze procedure niet aan toekomt. Het hoger beroep slaagt niet.