Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 6 februari 2025
ECLI:NL:RBROT:2025:2823
Feiten
Werkneemster werkt sinds 1 november 2010 bij Sloopwerken als administratief medewerkster, aanvankelijk voor vijf dagen per week, maar in 2019 is haar werkweek verminderd naar drie dagen. Op 21 oktober 2024 wordt werkneemster op staande voet ontslagen, omdat zij tijdens werktijd nevenwerkzaamheden verricht en te veel vakantiedagen opneemt. Werkneemster verzoekt vernietiging van het ontslag en vordert doorbetaling van haar salaris. Indien het ontslag in stand blijft, verzoekt zij tevens om de transitievergoeding. Sloopwerken verzet zich tegen alle verzoeken van werkneemster en stelt dat het ontslag terecht is gegeven en dat werkneemster geen aanspraak heeft op doorbetaling van salaris of transitievergoeding. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet gerechtvaardigd is, en wijst de verzoeken van werkneemster af. Het ontslag blijft derhalve in stand.
Oordeel
Het ontslag wordt niet vernietigd, omdat aan de voorwaarden voor ontslag op staande voet is voldaan. Er is sprake van een dringende reden, omdat werkneemster tijdens werktijd werkzaamheden verricht voor het bedrijf van haar partner, waardoor zij haar eigen werk niet heeft kunnen uitvoeren. Dit wordt gezien als een grove schending van haar verplichtingen. Werkneemsterr stelt dat haar leidinggevende en een collega op de hoogte waren van de nevenwerkzaamheden, maar de kantonrechter oordeelt dat dit niet aannemelijk is. De leidinggevende kan niet zonder meer hebben afgeleid dat werkneemster structureel werk voor een ander bedrijf verrichtte. Bovendien heeft werkneemster onvoldoende bewijs geleverd voor de claim dat zij toestemming had om dit werk uit te voeren. Het werk is bovendien structureel, blijkt uit de veelvuldigheid van de verrichte werkzaamheden, zoals de opmaak van circa 400 facturen en offertes over een periode van vijf jaar. De stelling dat dit werk in één uur per week kon worden verricht, is onaannemelijk. Daarnaast heeft werkneemster inconsistentie vertoond in haar verklaringen over de vakantieurenregistratie. Nadat zij parttime ging werken, bleef zij 25 vakantiedagen per jaar noteren, maar dit werd niet goedgekeurd door haar leidinggevende. Ook hierover heeft werkneemster onvoldoende onderbouwing geleverd om aan te tonen dat zij dit rechtmatig deed. Beide verwijten, de nevenwerkzaamheden en de onterecht genoteerde vakantiedagen, worden haar zwaar aangerekend, aangezien zij Sloopwerken bewust heeft benadeeld in haar eigen voordeel. Sloopwerken heeft het ontslag onverwijld aangezegd en de reden voor het ontslag onverwijld medegedeeld, wat voldoet aan de vereisten voor een ontslag op staande voet. De kantonrechter oordeelt dat Sloopwerken op tijd heeft gehandeld en dat werkneemster onvoldoende heeft gesteld om te concluderen dat Sloopwerken eerder had moeten weten van de onterechte vakantiedagenregistratie. Omdat het ontslag in stand blijft, worden de verzoeken van werkneemster tot vernietiging van het ontslag en doorbetaling van loon afgewezen, evenals het verzoek om een transitievergoeding, aangezien de feiten ernstig verwijtbaar zijn. Het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van Sloopwerken wordt buiten beschouwing gelaten, omdat de voorwaarden niet zijn vervuld. Sloopwerken heeft een vordering ingesteld voor terugbetaling van te veel betaalde salaris, onterecht opgenomen vakantiedagen en een gefixeerde schadevergoeding. Het te veel betaalde salaris en de onterecht opgenomen vakantiedagen worden toegewezen, aangezien werkneemster deze vorderingen niet heeft betwist. Het verzoek tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding wordt afgewezen, omdat dit na de vervaltermijn is ingediend. Evenmin wordt het verzoek tot betaling van buitengerechtelijke kosten toegewezen, omdat de verrichte werkzaamheden betrekking hebben op de voorbereiding van het ontslag en de procedure, wat niet voor vergoeding in aanmerking komt.