Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgever
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 9 december 2024
ECLI:NL:RBZWB:2024:9583
Kort geding is weliswaar binnen de vervaltermijn aanhangig gemaakt, maar daarmee is de vervaltermijn niet gered. 'Spoorwissel' niet mogelijk.

Feiten

Werkneemster is op 23 mei 2023 bij werkgever in dienst getreden als verkoopster in de winkel van werkgever. Op 29 juli 2024 wordt werkneemster op staande voet door werkgever ontslagen. In een brief van 30 juli 2024 bevestigt werkgever dat de arbeidsovereenkomst van werkneemster met ingang van 30 juli 2024 is opgezegd wegens een dringende reden. In een brief van 1 augutsus 2024 aan werkgever schrijft de gemachtigde van werkneemster dat er sprake is van een niet rechtsgeldige opzegging en dat werkneemster zich beschikbaar houdt voor het hervatten van haar werkzaamheden zodra zij weer beter is. Tevens maakt werkneemster in deze brief aanspraak op haar reguliere loon en emolumenten. Op 11 september 2024 stuurt de gemachtigde van werkneemster een e-mailbericht naar de gemachtigde van werkgever met als bijlage de dagvaarding in kort geding met producties en de dagbepaling voor de mondelinge behandeling. Werkneemster vordert in kort geding om werkgever te veroordelen tot betaling van de wettelijke transitievergoeding, een billijke vergoeding en de gefixeerde schadevergoeding. Werkgever concludeert tot niet-ontvankelijkheid van werkneemster.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. De kantonrechter moet in dit kort geding beoordelen of de vorderingen in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorzieningen gerechtvaardigd is. Als verstrekkendste verweer tegen de vorderingen van werkneemster voert werkgever aan dat de vervaltermijnen voor het verzoek van een transitievergoeding, billijke vergoeding en gefixeerde schadevergoeding in een bodem(verzoekschrift)procedure zijn verstreken. Tussen partijen staat vast dat werkneemster nog geen bodemprocedure tegen werkgever is gestart. Verder staat vast dat werkgever werkneemster op 29 juli 2024 op staande voet heeft ontslagen. Dat brengt mee dat de bevoegdheid om (door middel van een verzoekschrift bij de kantonrechter) te verzoeken om toekenning van een transitievergoeding, een billijke vergoeding en een gefixeerde schadevergoeding gelet op artikel 7:686a lid 4 BW is vervallen op respectievelijk 30 oktober 2024 en (tweemaal) 30 september 2024. Weliswaar is dit kort geding binnen de vervaltermijnen aanhangig gemaakt, maar daarmee is de vervaltermijn niet gered. De zogenoemde ‘spoorwissel’ van artikel 69 lid 1 Rv is in dit geval immers niet mogelijk, omdat het een kort geding (dagvaarding) betreft. Het bepaalde in artikel 256 Rv brengt mee dat de voorzieningenrechter kortgedingzaken niet naar de bodemrechter kan doorverwijzen. De gemachtigde van werkneemster heeft tijdens de mondelinge behandeling nog aangevoerd dat de vervaltermijn ‘geschorst’ is door het aanhangig maken van dit kort geding (mits binnen zes maanden een bodemprocedure wordt gestart), maar er is geen rechtsregel die dat bepaalt. De gemachtigde van werkneemster wees op artikel 257 Rv, maar daarin staat iets anders, namelijk dat beslissingen bij voorraad geen nadeel toebrengen aan de zaak ten principale. Mogelijk doelt de gemachtigde van werkneemster op artikel 3:316 lid 1 BW, maar die bepaling ziet op stuiting van een verjaringstermijn. De heersende leer is dat vervaltermijnen niet gestuit kunnen worden. Gelet op het voorgaande zullen de vorderingen van werkneemster in dit kort geding afgewezen worden.