Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 24 februari 2025
ECLI:NL:GHARL:2025:1007
Feiten
Werkgever houdt zich – via zijn eenmanszaak – bezig met het bezorgen van pakketten voor PostNL in de omgeving van Amersfoort en Leusden. Werkneemster is op 3 september 2022 bij hem in dienst getreden in de functie van chauffeuse/pakketbezorgster op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van twaalf maanden, die voor twaalf maanden is verlengd. Op 25 oktober 2023 heeft werkneemster melding gemaakt van een incident op het werk betreffende aantasting van haar lichamelijke integriteit door een collega. Zij heeft na 1 november 2023 geen werkzaamheden meer verricht voor werkgever. Door of namens haar is geen aanspraak gemaakt op loon en op 28 november 2023 heeft zij een WW-uitkering aangevraagd, die haar met ingang van 1 november 2023 is toegekend. Haar vorige advocaat heeft op 23 mei 2024 bij de kantonrechter een verzoekschrift ingediend. Hierin wordt namens haar de nietigheid ingeroepen van het door werkgever beweerdelijk op 2 november 2023 gegeven ontslag op staande voet. Ook maakt zij aanspraak op (achterstallig) loon, de transitievergoeding en een billijke vergoeding. De kantonrechter oordeelt dat het beroep op de nietigheid van het ontslag op staande voet te laat is ingeroepen en dat zij het verzoek om toekenning van de transitievergoeding en een billijke vergoeding binnen drie maanden na de datum van het ontslag had moeten doen. De kantonrechter heeft werkneemster daarom niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoeken en de proceskosten gecompenseerd. Werkneemster is het met die beslissingen niet eens en heeft hoger beroep ingesteld.
Oordeel
Het door werkneemster ingestelde hoger beroep wordt verworpen omdat het hof met de kantonrechter van oordeel is dat zij te laat de nietigheid van het ontslag op staande voet heeft ingeroepen en terecht door de kantonrechter niet-ontvankelijk is verklaard in haar verzoeken wegens het verstrijken van de daarvoor gestelde termijnen. Het hof komt daarom niet toe aan de beoordeling van de rechtsgeldigheid van de beweerdelijk gedane opzegging. Het hof heeft de bestreden beschikking bekrachtigd en werkneemster veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Het hof overweegt onder meer dat hoewel werkneemster tijdig juridisch advies heeft ingewonnen en juridische bijstand heeft ingeschakeld, er namens haar pas op 23 mei 2024 actie is ondernomen. Toen is het verzoekschrift bij de kantonrechter ingediend. Dat is te laat, zelfs als ervan wordt uitgegaan dat werkneemster niet heeft begrepen dat zij op 2 november 2023 was ontslagen, zoals zij nu in hoger beroep stelt. Zij ontving geen salaris meer en heeft zich bij een advocaat gemeld. Die had binnen de vervaltermijnen van de wet de verzoeken aanhangig moeten maken. De bevoegdheid om een verzoekschrift bij de kantonrechter in te dienen met een verzoek tot het inroepen van de nietigheid van het gestelde ontslag was mogelijk tot 2 januari 2024 en het verzoek tot toekenning van de transitievergoeding kon tot 2 februari 2024 worden ingediend. Dat heeft de (toenmalige) advocaat niet gedaan.