Naar boven ↑

Rechtspraak

Universitair Medisch Centrum Groningen/werknemer c.s.
Hoge Raad, 28 maart 2025
ECLI:NL:HR:2025:483
Rechtsverhouding tussen beurspromovendi en universitair medisch centrum als publiekrechtelijk lichaam kan worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst. Reikwijdte artikel 7:615 (oud) BW.

Feiten

Het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) is een aan de Rijksuniversiteit Groningen (hierna: RUG) verbonden academisch ziekenhuis. Het biedt in samenwerking met de RUG de bachelor- en masteropleiding geneeskunde aan. Sinds (in ieder geval) 2001 biedt het UMCG aan studenten de mogelijkheid de masterfase van hun studie te combineren met het uitvoeren van een promotieonderzoek. Doel was en is dat onderzoek af te sluiten met een promotie. 44 promovendi (hierna: de beurspromovendi) vorderen – kort weergegeven – voor recht te verklaren dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen hen en het UMCG, en betaling van achterstallig loon en wettelijke verhoging. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen. Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd en voor recht verklaard dat tussen de beurspromovendi en het UMCG een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Het UMCG heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.

Standpunt UMCG

Volgens het UMCG getuigt het oordeel van het hof dat partijen een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht zijn aangegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft daarbij miskend dat uit artikel 134 Ambtenarenwet (oud) en artikel 7:615 (oud) BW, zoals die bepalingen golden in de periode waarin tussen partijen is gecontracteerd, volgt dat tussen een openbaar lichaam als het UMCG en personen zoals de beurspromovendi slechts een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht kan worden gesloten wanneer de mogelijkheid daartoe uitdrukkelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur was opengesteld. Klaarblijkelijk heeft het hof een onjuiste uitleg gegeven aan het destijds geldende artikel 134 Ambtenarenwet door te beslissen dat die bepaling zelf de grondslag kan vormen op basis waarvan het UMCG arbeidsovereenkomsten kon aangaan, aldus het UMCG.

Oordeel

De Hoge Raad oordeelt als volgt.

Artikel 7:615 (oud) BW bepaalde dat de bepalingen van titel 7.10 BW (arbeidsovereenkomst) niet van toepassing zijn ten aanzien van personen in dienst van staat, provincie, gemeente, waterschap of enig ander publiekrechtelijk lichaam, tenzij zij, hetzij vóór of bij de aanvang van de dienstbetrekking door of namens partijen, hetzij bij wet of verordening, van toepassing zijn verklaard. De bepaling is per 1 januari 2020 vervallen.

Van de in artikel 7:615 (oud) BW genoemde mogelijkheden om tot toepassing van titel 7.10 BW te komen, heeft het hof niet aan zijn beslissing ten grondslag gelegd dat partijen de bepalingen van deze titel vóór of bij de aanvang van de dienstbetrekking van toepassing hebben verklaard. Dat sluit aan bij de considerans van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Evenmin heeft het hof verwezen naar een wettelijke bepaling waarin titel 7.10 BW op de verhouding van partijen van toepassing is verklaard. Een dergelijke bepaling bestond in de relevante periode niet. Het hof verwijst wel naar artikel 134 lid 1 Ambtenarenwet (oud), maar uitsluitend om te staven dat een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht destijds niet was uitgesloten of verboden. De vraag is daarmee of de beslissing van het hof zich verdraagt met artikel 7:615 (oud) BW. Deze kwestie was niet aan de orde in HR 14 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9722 (Beurspromovendi UvA).

Artikel 7:615 (oud) BW was de opvolger van artikel 7A:1637z (oud) BW. Laatstgenoemde bepaling was oorspronkelijk in de wet opgenomen vooral om misbruik van arbeidsovereenkomsten door de overheid tegen te gaan. Het doel van het handhaven van artikel 7A:1637z (oud) BW in de vorm van artikel 7:615 (oud) BW was blijkens de wetsgeschiedenis primair het voorkomen van de toepassing van de preventieve ontslagtoets op personen in dienst van de overheid. Het schrappen van de bepaling kon volgens de memorie van toelichting bovendien beter samengaan met een algemene regeling over het gelijkmaken van de rechtspositie van ambtenaren en werknemers – die inmiddels tot stand is gekomen in de Wnra.

Kenmerkend voor deze zaak is dat voor beide partijen tot uitgangspunt dient dat geen aanstelling als ambtenaar heeft plaatsgevonden, ook niet feitelijk. Indien de regels van het arbeidsovereenkomstenrecht op de verhouding tussen partijen geen toepassing vinden, betekent dat dus niet dat de beurspromovendi de rechtspositie van ambtenaar hadden, maar dat sprake is van een ongeregelde overeenkomst zonder op de positie van werkenden toegesneden beschermende bepalingen. Als de rechtsverhouding tussen partijen voldoet aan de omschrijving van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW sluit een dergelijk resultaat – waarin de bepalingen van titel 7.10 BW als gevolg van artikel 7:615 (oud) BW buiten toepassing blijven – niet aan bij de rechtsontwikkeling die inmiddels heeft geleid tot de Wnra. Doel daarvan was immers het zo veel mogelijk gelijktrekken van de rechtsposities van (voormalige) ambtenaren en werknemers. Evenmin wordt met een dergelijk resultaat dan het doel gediend dat de wetgever met artikel 7:615 (oud) BW voor ogen stond. Voor de lacune in de rechtsbescherming van de beurspromovendi die dan ontstaat, biedt het wettelijk stelsel geen rechtvaardiging. Die rechtvaardiging kan evenmin worden gevonden in het Besluit experiment promotieonderwijs. Volgens de op dat besluit gegeven toelichting zou de rechter, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, tot het oordeel kunnen komen dat de verhouding met een promovendus moest worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst of een aanstelling als ambtenaar.

In het licht van het voorgaande geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting dat het hof heeft geoordeeld dat de bepalingen van titel 7.10 BW in de omstandigheden van dit geval kunnen worden toegepast op de verhouding tussen partijen, en heeft onderzocht of de overeenkomst voldoet aan de omschrijving van artikel 7:610 BW – een onderzoek tegen de uitkomst waarvan het middel tevergeefs klachten richt. Dat artikel 7:615 (oud) BW de directe toepassing van de bepalingen van titel 7.10 BW op een verhouding als die van partijen in algemene zin uitsluit – waarop onderdeel 1 op zichzelf met juistheid de aandacht vestigt – staat niet in de weg aan de toepassing van die bepalingen in een geval als hier aan de orde. De klachten van onderdeel 1 kunnen daarom niet tot cassatie leiden.

Ook de overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).