Rechtspraak
werknemer/GVB Exploitatie BV
Werknemer is sinds 1998 in dienst van GVB in de functie van tramconducteur. Werknemer is aanhanger van het christelijk geloof en draagt daarom een gouden ketting tot halverwege zijn borst met een crucifix van ongeveer vijf centimeter. In 2008 heeft het GVB nieuwe bedrijfskleding geïntroduceerd alsmede werknemer gewezen op de nieuwe kledingvoorschriften. Werknemer is verzocht zijn ketting niet zichtbaar te dragen, maar onder de GVB-kleding te houden. Werknemer heeft in dit kort geding gevorderd dat GVB wordt veroordeeld hem toe te laten zijn ketting met kruis over zijn bedrijfskleding te dragen, op straffe van verbeurte van een dwangsom. De kantonrechter heeft de vordering van werknemer bij het bestreden vonnis afgewezen. De kantonrechter oordeelde dat de instructie (7:660 BW) van GVB om de ketting met kruis in diensttijd (in uniform) onder in plaats van boven de kleding te dragen niet onredelijk is. Volgens de kantonrechter maakt GVB terecht geen onderscheid tussen kettingen waaraan wel en kettingen waaraan geen religieuze betekenis is verbonden voor de drager en kan van GVB in redelijkheid niet worden verlangd voor werknemer een uitzondering te maken op de regel. Het verbod om de ketting met kruis boven de kleding te dragen levert naar het oordeel van de kantonrechter geen direct of indirect onderscheid naar geloof op, nu het gaat om een algemeen verbod om kettingen boven de kleding te dragen en het verbod niet in de weg staat aan andere vormen van geloofsuiting. De kantonrechter oordeelde voorts dat GVB als werkgever ook voldoende zorgvuldig heeft gehandeld, nu zij werknemer het alternatief heeft geboden in plaats van de ketting een ring of een armband met een kruis te gaan dragen. Ten slotte verwierp de kantonrechter het argument dat werknemer ontleende aan het feit dat GVB het dragen van een hoofddoek wel toestaat. De kantonrechter overwoog dat de hoofddoek tot de uniformkleding behoort en niet onzichtbaar kan worden gedragen en dat ook het veiligheidsaspect hier niet bij speelt. Tegen dit oordeel keert werknemer zich in hoger beroep.
Het hof oordeelt als volgt. Het hof gaat er in dit kort geding voorshands van uit dat het zichtbaar dragen van een ketting met kruis niet louter een particuliere opvatting is van werknemer, maar steun vindt bij leden van zijn christelijke geloofsgemeenschap. Zo bezien, treft de instructie van GVB deze personen in vergelijking met anderen bijzonder en maakt GVB met de instructie indirect onderscheid. Het hof aanvaardt dat het bereiken van de door GVB gewenste professionele uitstraling een legitiem doel is. Naar het oordeel van het hof is het middel voorts geschikt het beoogde doel te bereiken. De instructie kettingen onder de bedrijfskleding te dragen (en geen broches op de kleding te dragen) bewerkstelligt dat het uniform vrij blijft van persoonlijke elementen van de drager. In samenhang met de overige kledingvoorschriften draagt dit ertoe bij dat de beoogde zakelijke, uniforme en professionele uitstraling van de kleding wordt bevorderd. Ten slotte moet worden nagegaan of het middel noodzakelijk is. Ervan uitgaand dat over de bedrijfskleding gedragen kettingen of (andere) sieraden afbreuk doen aan de zakelijke en uniforme uitstraling, kan het hier aan de orde zijnde doel niet met een ander middel worden bereikt. Het hof acht het middel voorts niet disproportioneel. Met betrekking tot het vermeende onderscheid tussen hem en zijn vrouwelijke moslimcollega's, overweegt het hof dat het dragen van de ketting met het kruis over het uniform de zakelijke, uniforme en professionele uitstraling van de bedrijfskleding verstoort. Voor de hoofddoek, die in het uniform is geïncorporeerd doordat deze de uniformkleuren heeft en voorzien is van het GVB-logo, geldt dit niet.
Volgt bekrachtiging vonnis kantonrechter.