Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgever en Fehro c.s./werknemer

Prejudiciële vraag over rechtsmacht inzake vordering tegen in Duitsland woonachtige werknemer op grond van onbehoorlijke taakvervulling als bestuurder dan wel werknemer van in Nederland gevestigde vennootschap (geldt art. 20 EEX-Vo of art. 5 EEX-Vo?)

Deze zaak betreft de vraag of de Nederlandse rechter op grond van de EEX-Verordening internationaal bevoegd is kennis te nemen van een vordering ter zake van aansprakelijkheid voor onbehoorlijke taakvervulling van een bestuurder/directeur jegens één of meerdere van de door hem bestuurde vennootschappen. Werknemer is op 25 april 2001 bij werkgever in dienst getreden als directeur. Deze partijen hebben in dat verband op 7 mei 2001 een arbeidsovereenkomst ondertekend. Daarnaast was werknemer bestuurder/procuratiehouder van Ferho Bewehrungsstahl GmbH, Ferho Vechta GmbH en Ferho Frankfurt GmbH (hierna gezamenlijk: de Duitse vennootschappen). Aan deze betrekkingen van werknemer is op 31 december 2005 (met Ferho Frankfurt GmbH) respectievelijk op 31 december 2006 (met de overige vennootschappen) een einde gekomen. Werkgever c.s. verwijten werknemer dat hij in de uitoefening van de hiervoor genoemde functies ernstige fouten heeft gemaakt, die tot grote schade voor werkgever c.s. hebben geleid. Zij stellen dat werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan onbehoorlijk bestuur c.q. onrechtmatig handelen en voorts dat sprake is van opzet c.q. bewuste roekeloosheid van werknemer bij de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst als directeur. In de onderhavige procedure vorderen werkgever c.s., naast een verklaring voor recht dat werknemer zijn taak als bestuurder van werkgever c.s. onbehoorlijk heeft vervuld dan wel onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld, veroordeling van werknemer tot betaling van een bedrag van € 1.908.213,29, vermeerderd met rente en kosten. Werknemer heeft in eerste aanleg met succes een beroep gedaan op de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter. Het hof oordeelde in gelijke zin. Ten aanzien van de vorderingen van werkgever gebaseerd op het niet-nakomen door werknemer van zijn verplichtingen uit hoofde van zijn functie als directeur van werkgever, heeft het hof overwogen dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft, omdat de rechtsverhouding tussen deze twee partijen gekwalificeerd moet worden als een arbeidsovereenkomst en een vordering van de werkgever krachtens artikel 20 lid 1 EEX-Vo slechts kan worden gebracht voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de werknemer woonplaats heeft. Ten aanzien van de op onrechtmatige daad gebaseerde vordering van werkgever overweegt het hof dat deze vordering duidelijk verband houdt met de vordering uit de individuele verbintenis uit arbeidsovereenkomst en niet kan leiden tot rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Tegen dit oordeel keert werkgever zich in cassatie. De werkgever klaagt onder meer dat het hof heeft miskend dat een uit artikel 2:9 BW wegens onbehoorlijke taakvervulling voortvloeiende verbintenis – onafhankelijk van de vraag of de bestuurder zijn bestuurswerkzaamheden mede op grond van een arbeidsovereenkomst verricht – kwalificeert als verbintenis uit overeenkomst in de zin van artikel 5 punt 1 onder a EEX-Vo (de A-G deelt de klacht van werkgever).

De Hoge Raad oordeelt als volgt. De beoordeling van de klachten noopt in de eerste plaats tot beantwoording van de vraag naar de verhouding tussen de bevoegdheidsbepalingen van afdeling 5 van hoofdstuk II (art. 18-21) EEX-Vo enerzijds en de bevoegdheidsbepalingen die zijn neergelegd in artikel 5 aanhef en onder 1 (a), en artikel 5 aanhef en onder 3 EEX-Vo anderzijds. Meer in het bijzonder rijst de vraag of afdeling 5 van hoofdstuk II EEX-Vo zich ertegen verzet dat artikel 5 aanhef en onder 1 (a), dan wel artikel 5 aanhef en onder 3 EEX-Vo toepassing vindt in een geval als het onderhavige, waarin de verweerder niet alleen in zijn hoedanigheid van bestuurder van een vennootschap op grond van onbehoorlijke taakvervulling dan wel op grond van onrechtmatig handelen door die vennootschap wordt aangesproken, maar ook afgezien van deze hoedanigheid door die vennootschap wordt aangesproken op grond van opzet of bewuste roekeloosheid bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst die tussen hem en die vennootschap is gesloten. Ter inleiding van deze vraag dient dat naar Nederlands recht onderscheid wordt gemaakt tussen de aansprakelijkheid van een persoon in zijn hoedanigheid van bestuurder van een vennootschap (uit hoofde van schending van zijn vennootschapsrechtelijke verplichting tot behoorlijke taakvervulling krachtens art. 2:9 BW dan wel uit hoofde van onrechtmatig handelen in de zin van art. 6:162 BW) en de afgezien van deze hoedanigheid op die persoon rustende aansprakelijkheid als werknemer van die vennootschap (uit hoofde van opzet of bewuste roekeloosheid bij de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst als bedoeld in art. 7:661 BW). Op grond van punt 13 van de considerans van de EEX-Vo dient (o.m.) in het geval van een arbeidsovereenkomst de zwakke partij te worden beschermd door bevoegdheidsregels die gunstiger zijn voor haar belangen dan de algemene regels. Dit uitgangspunt pleit voor een uitleg van de EEX-Vo waarbij afdeling 5 van hoofdstuk II zich verzet tegen toepassing van artikel 5 aanhef en onder 1 (a), dan wel artikel 5 aanhef en onder 3 EEX-Vo, indien – of althans voor zover – de verweerder niet alleen in zijn hoedanigheid van bestuurder van een vennootschap op grond van onbehoorlijke taakvervulling dan wel op grond van onrechtmatig handelen door die vennootschap wordt aangesproken, maar ook afgezien van deze hoedanigheid door die vennootschap wordt aangesproken op grond van opzet of bewuste roekeloosheid bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst die tussen hem en die vennootschap is gesloten. Steun voor deze uitleg kan voorts worden gevonden in HvJ EU 22 mei 2008, C-462/06 (Glaxosmithkline/Rouard), ECLI:NL:XX:2008:BD7181, Jur. 2008, p. I-3965, NJ 2009/393, waarin is beslist dat de bevoegdheidsregel van artikel 6 aanhef en onder 1 EEX-Vo geen toepassing kan vinden in geschillen die vallen binnen het toepassingsgebied van afdeling 5 van hoofdstuk II EEX-Vo.

Voor toepassing van artikel 5 aanhef en onder 1 (a) EEX-Vo pleit dat het begrip ‘verbintenissen uit overeenkomst’ autonoom moet worden uitgelegd en – blijkens HvJ EU 2 maart 1983, C-34/82 (Peters/ZNAV), ECLI:NL:XX:1983:AC7911, Jur. 1983, p. 987, NJ 1983/644 – onder meer ziet op verbintenissen die hun grondslag hebben in de tussen een (privaatrechtelijke) vereniging en haar leden bestaande lidmaatschapsverhouding. Dit biedt steun aan een uitleg waarbij ook de tussen een bestuurder en de door hem bestuurde vennootschap bestaande verbintenissen, in het bijzonder de op de bestuurder rustende verplichting tot behoorlijke taakvervulling, worden aangemerkt als ‘verbintenissen uit overeenkomst’ in de zin van artikel 5 aanhef en onder 1 (a) EEX-Vo. Voor toepassing van artikel 5 aanhef en onder 3 EEX-Vo pleit dat de vordering waarmee een vennootschap haar bestuurder aanspreekt op grond van onbehoorlijke taakvervulling dan wel onrechtmatig handelen, niet wezenlijk verschilt van een vordering uit hoofde van delictuele aansprakelijkheid, hetgeen zou meebrengen dat de hieruit voortvloeiende verbintenissen worden aangemerkt als ‘verbintenissen uit onrechtmatige daad’ als bedoeld in artikel 5 aanhef en onder 3 EEX-Vo.

Het ligt voor de hand om als ‘verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt’ in de zin van artikel 5 aanhef en onder 1 (a) EEX-Vo aan te merken de op de bestuurder rustende verplichting tot behoorlijke taakvervulling, en om als plaats van uitvoering hiervan aan te merken de plaats waar de bestuurder zijn vennootschapsrechtelijke taak heeft vervuld of had dienen te vervullen, hetgeen in de regel zal zijn de plaats van het hoofdbestuur of de hoofdvestiging van de betrokken vennootschap, een en ander als bedoeld in artikel 60 lid 1 aanhef en onder b en c EEX-Vo. Voorts ligt voor de hand om als ‘het schadebrengende feit’ in de zin van artikel 5 aanhef en onder 3 EEX-Vo aan te merken de gestelde onbehoorlijke taakvervulling dan wel het gestelde onrechtmatig handelen van de bestuurder, en om als plaats waar deze onbehoorlijke taakvervulling respectievelijk dit onrechtmatig handelen zich heeft voorgedaan aan te merken – overeenkomstig hetgeen hiervoor in 3.10.2 is overwogen – de plaats waar de bestuurder zijn vennootschapsrechtelijke taak heeft vervuld of had dienen te vervullen, hetgeen in de regel zal zijn de plaats van het hoofdbestuur of de hoofdvestiging van de betrokken vennootschap, een en ander als bedoeld in artikel 60 lid 1 aanhef en onder b en c EEX-Vo.

De hiervoor bedoelde vragen laten zich niet zonder redelijke twijfel beantwoorden, zodat de Hoge Raad deze vragen aan het HvJ EU zal voorleggen.