Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie Eindhoven), 31 oktober 2014
ECLI:NL:RBOBR:2014:6522
werknemer/werkgeefster
Werknemer is vanaf 1 september 2011 in dienst bij werkgeefster als medewerker houtzagerij. Na op 20 juni 2013 met een collega te hebben overgewerkt, heeft werknemer het bedrijfsterrein van werkgeefster verlaten. Omdat de poort gesloten was, zijn werknemer en zijn collega met gebruikmaking van een prullenbak over het hek dan wel de poort geklommen. Werknemer heeft daarbij met zijn hand steun gezocht op de bovenkant van het hek en is, toen hij zich naar beneden liet vallen of naar beneden sprong, met een ring blijven haken aan een van de stalen punten, met als gevolg dat de ringvinger van zijn rechterhand volledig is afgescheurd. Als gevolg daarvan heeft werknemer blijvend lichamelijk letsel opgelopen en is hij (deels) arbeidsongeschikt geworden. In de onderhavige deelgeschilprocedure verzoekt werknemer voor recht te verklaren dat werkgeefster ex artikel 7:658 BW aansprakelijk is. Werkgeefster stelt dat de schade niet in de uitoefening van de werkzaamheden is geleden en dat werknemer roekeloos heeft gehandeld.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het begrip ‘in de uitoefening van de werkzaamheden’ dient volgens vaste rechtspraak ruim te worden uitgelegd. Voldoende vast is komen te staan dat de schade is opgetreden ‘in de uitoefening van het werk’ als bedoeld in artikel 7:658 lid 2 BW dan wel in voldoende verband staat tot de uitoefening van de werkzaamheden. Voor het aannemen van opzet heeft werkgeefster onvoldoende gesteld. Niet gesteld is immers dat de wil van werknemer was gericht op het veroorzaken van enige schade. Van bewuste roekeloosheid is evenmin gebleken. Vervolgens wordt geoordeeld dat werkgeefster niet aan de zorgplicht heeft voldaan. Indien men voor een gesloten poort komt moet de werknemer terug gaan naar de bedrijfshal en aldaar op zoek gaan naar de sleutelhouder die vervolgens met de betreffende werknemer moet meelopen naar het hek om de poort te openen. Hiermee kan in totaal ongeveer 10 minuten gemoeid zijn. Voorts staat vast dat ten tijde van het voorval op het bedrijfsterrein en in de directe nabijheid van de poort een vaste prullenbak op een metalen paal met een totale hoogte van ca. 75 cm was geplaatst. Tot slot is door werkgeefster niet weersproken dat zich reeds een eerder incident had voorgedaan waarbij een collega over de poort was geklommen. Gelet op deze feiten en omstandigheden diende werkgeefster er redelijkerwijs rekening mee te houden dat een werknemer, indien hij na het verrichten van overwerk voor een gesloten poort komt te staan, niet de moeite neemt alsnog de sleutelhouder te waarschuwen, gezien het tijdsbeslag dat daarmee gemoeid kan zijn en het ervaringsfeit dat een werknemer na het verrichten van overwerk in het algemeen zo snel mogelijk huiswaarts zal willen gaan. De door werkgeefster gestelde doch door werknemer betwiste omstandigheid dat alle werknemers geïnstrueerd waren over, althans bekend waren met het geldende sleutelbeleid, doet daaraan onvoldoende af, evenmin als de waarschuwing die na het eerdere incident aan een collega was gegeven. Gelet op de plaats waar werkgeefster ten tijde van het voorval de onderhavige prullenbak op haar bedrijfsterrein had gesitueerd (in de directe nabijheid van de poort) diende zij, in aanmerking genomen het eerder genoemde tijdsbeslag en ervaringsfeit, redelijkerwijs rekening te houden met de mogelijkheid dat een werknemer die voor een gesloten poort zou komen te staan, zich door de constructie van het hek niet zou laten weerhouden om daar, met gebruikmaking van de onderhavige prullenbak, overheen te klimmen. Naar tussen partijen vaststaat is het zonder gebruikmaking van de prullenbak niet mogelijk over het hek/de poort te klimmen. Werkgeefster is aansprakelijk voor de gevolgen van het werknemer overkomen ongeval.