Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Stichting Bronovo-Nebo
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 28 april 2015
ECLI:NL:RBDHA:2015:6928

werkneemster/Stichting Bronovo-Nebo

Verpleegkundige heeft recht op onregelmatigheidstoeslag over vakantie- en verlofuren, ook als werkneemster slechts sporadisch overdag ingeroosterd zou worden.

Werkneemster is sedert 1 oktober 1989 in dienst van Stichting Bronovo-Nebo (hierna: de Stichting). Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Ziekenhuizen van toepassing. Werkneemster vordert voor recht te verklaren dat de Stichting in strijd met het recht heeft gehandeld en nog steeds handelt door aan werkneemster geen onregelmatigheidstoeslag over de vakantie-uren te betalen, alsmede voor recht te verklaren dat werkneemster sedert 1 januari 2009 aanspraak heeft op betaling van € 4.676. Werkneemster legt aan haar vordering ten grondslag dat de Stichting het loonbegrip voor de bepaling van het vakantiegeld onjuist toepast. Werkneemster beroept zich op het arrest Williams e.a./British Airways (HvJ EU 15 september 2011, AR 2011-0746) en het arrest van het Hof Den Haag d.d. 2 juli 2013 (AR 2014-0232).

De kantonrechter oordeelt als volgt. Artikel 7:639 BW bepaalt dat de werknemer gedurende zijn vakantie recht op loon behoudt, terwijl artikel 7:645 BW bepaalt dat daarvan niet ten nadele van werknemer kan worden afgeweken. Wat onder het begrip loon verstaan dient te worden is uitgelegd door het Hof van Justitie EU. Bepalend voor de vraag of een werknemer recht heeft op onregelmatigheidstoeslag gedurende zijn vakantie is het antwoord op de vraag of de toeslag intrinsiek samenhangt met de hem opgedragen taken. In onderhavige zaak staat vast dat de functie van werkneemster inhoudt avond- en nachtdiensten, waarvoor zij een onregelmatigheidstoeslag krijgt. Ook al zou werkneemster, zoals de Stichting betoogt, sporadisch overdag ingeroosterd worden (3 keer in 2011, 2 keer in 2012, 10 keer in 2013 en geen enkele keer in 2014), hetgeen werkneemster ontkent, dan nog dient de conclusie te zijn dat de onregelmatigheidstoeslag een intrinsiek deel uitmaakt van de aan werkneemster toegekende taken waarvoor zij genoemde toeslag ontvangt. Een en ander wordt niet anders doordat de toepasselijke cao bepaalt dat werknemers tijdens vakantie recht hebben op behoud van salaris, waarbij salaris gedefinieerd wordt als brutomaandsalaris exclusief onder meer vergoeding voor onregelmatige diensten. Geoordeeld moet worden dat een dergelijke bepaling in strijd is met het dwingend recht als hiervoor vermeld. Dat de Stichting vorderingen als de onderhavige niet meer kan doorberekenen aan de ziektekostenverzekeraars betekent niet dat zij in strijd met dwingende rechtsbepalingen mag handelen. Dat de redelijkheid of billijkheid zich verzet tegen onverkorte handhaving van een dwingende rechtsbepaling valt niet in te zien, althans de Stichting draagt daarvoor onvoldoende argumenten aan. Dat het haar voor al haar personeel een bedrag kost van jaarlijks € 190.000 lijkt, zo al juist, voor een ziekenhuis van de grootte als de Stichting niet onoverkomelijk.

Uit het voorgaande volgt dat de gevorderde verklaring voor recht dat de Stichting in strijd handelt door werkneemster geen onregelmatigheidstoeslag over de vakantie-uren te betalen toegewezen zal worden, zij het dat die verklaring - met het oog op de recent afgesloten cao - beperkt wordt tot de datum 1 januari 2015. Nu de Stichting geen verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van het gevorderde bedrag ligt de geldvordering eveneens voor toewijzing gereed, alsmede de daarop betrekking hebbende verklaring voor recht. De gevorderde dwangsom heeft alleen betrekking op het niet-uitvoeren van de gegeven veroordeling en ziet derhalve op de geldvordering. Artikel 611a lid 1 Rv verzet zich tegen een dergelijke toewijzing, zodat dat deel van de vordering afgewezen wordt. Tegen de wettelijke rente en de ingangsdatum daarvan is geen verweer gevoerd, zodat ook daarvan uitgegaan zal worden. De wettelijke verhoging wordt gematigd tot 10%.