Rechtspraak
Rechtbank Overijssel (Locatie Enschede), 26 april 2016
ECLI:NL:RBOVE:2016:1506
werknemer/Stichting Mediant
Werknemer is met ingang van 1 september 2007 in dienst getreden bij Mediant in de functie van Verpleegkundige Gestructureerd wonen. Op 26 februari 2016 is werknemer op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief stelt Mediant dat werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan seksueel overschrijdend gedrag, fysiek geweld, verbale agressie en denigrerend pestgedrag. Werknemer verzoekt vernietiging van het hem gegeven ontslag op staande voet. Hij betwist de verwijten die hem in de brief van 26 februari 2016 zijn gemaakt en in het bijzonder betwist werknemer dat hij aan de billen en/of borsten van cliënten dan wel collega’s heeft gezeten anders dan, voor zover het cliënten betreft, noodzakelijk is in het kader van de verzorging (zoals hulp bij douchen). Mediant heeft een verweerschrift ingediend en tevens een zelfstandig tegenverzoek, als bedoeld in artikel 7:686a lid 2 juncto 7:671b lid 1 BW, strekkende tot (voorwaardelijke) ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter heeft na de mondelinge behandeling de zaken, te weten enerzijds het verzoek van werknemer strekkende tot - kort gezegd - vernietiging van het gegeven ontslag op staande voet en anderzijds het verzoek van Mediant strekkende tot - kort gezegd - (voorwaardelijke) ontbinding van de arbeidsovereenkomst (zie AR 2016-0451) met gebruikmaking van artikel 7:686a lid 10 BW gesplitst. In de onderhavige zaak wordt geoordeeld over het verzoek van werknemer.
De kantonrechter neemt tot uitgangspunt dat in zaken die voortvloeien uit de WWZ, zoals deze zaak, het bewijsrecht in beginsel van toepassing is, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. In dit geval verzet de aard van de zaak zich niet tegen toepassing van het bewijsrecht. Gelet op de gemotiveerde betwisting door werknemer dat sprake is geweest van handelen of nalaten zoals door Mediant aan het gegeven ontslag ten grondslag is gelegd, ligt het op de weg van Mediant haar stellingen van het gestelde handelen of nalaten door werknemer dat dit een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert, te bewijzen. De (mede) daartoe door Mediant in het geding gebrachte verklaringen van diverse collega’s van werknemer, afgelegd nadat hij op staande voet is ontslagen, zijn daartoe niet voldoende. Nu Mediant (getuigen)bewijs heeft aangeboden zal zij tot (nadere) bewijslevering in de gelegenheid worden gesteld. Mediant zal schriftelijk opgave dienen te doen van de wijze waarop zij bewijs wenst te leveren, alsmede hoeveel en welke getuige(n) zij wenst te laten horen.