Naar boven ↑

Rechtspraak

X/Y
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 29 juni 2016
ECLI:NL:RBMNE:2016:4532

X/Y

Afwijzing vordering veroordeling tot betaling van boete na vermeende overtreding concurrentiebeding op vijf afzonderlijke afwijzingsgronden, waaronder: belang eisende partij ontbreekt, concurrentiebeding niet ter hand gesteld en boetebeding onduidelijk geformuleerd.

X is eigenaar van een zorgboerderij. Bedrijf Z heeft ten behoeve van haar dagbestedingsactiviteiten deze zorgboerderij gehuurd van X in de periode 1 januari 2010 tot 1 januari 2015. Ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst bestond het bestuur van bedrijf Z uit X en twee andere bestuursleden. Y is van 1 maart 2011 tot 16 september 2014 in dienst geweest van bedrijf Z. Y is in 2011 toegetreden als bestuurder van bedrijf Z. De huurovereenkomst tussen X en bedrijf Z is met wederzijds goedvinden geëindigd op 1 januari 2015. Voormelde huurovereenkomst bevatte een concurrentiebeding. X vordert Y te veroordelen aan haar te voldoen de somma van € 13.660,23, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 12.500. Aan de vordering wordt ten grondslag gelegd dat Y het concurrentiebeding heeft overtreden.

De kantonrechter oordeelt als volgt. De kantonrechter is van oordeel dat bij X een belang ontbreekt in de zin van artikel 3:302 BW. Onvoldoende is door X weersproken dat bedrijf Z geen werkzaamheden verricht en niet meer actief is, zodat X op geen enkele wijze iets van haar voormalige huurder te duchten heeft. Y is ook niet als bestuurder werkzaam in een vermeende concurrerende rechtspersoon. De huurovereenkomst is ontbonden en er is geen relatie meer tussen verhuurder en huurder. De kantonrechter is voorts van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat Y het beding ter hand is gesteld of dat zij daarmee heeft ingestemd. X heeft slechts gesteld dat het beding aan Y bekend was of had moeten zijn. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter bij een beding als het onderhavige onvoldoende. Bovendien is de kantonrechter van oordeel dat onvoldoende door X is aangetoond dat de stichting waarvoor Y thans vrijwilligerswerkzaamheden verricht, deze werkzaamheden onderneemt ‘in de vorm van dagbesteding die bedrijf Z aanbiedt’, zoals in artikel 9.1 van het concurrentiebeding in de huurovereenkomst is omschreven. Bovendien, als vierde zelfstandige afwijzingsgrond, is het boetebeding zodanig onduidelijk dat het buiten toepassing dient te blijven vanwege intransparantie die voor rekening van de opsteller van de bepaling dient te blijven. Uit het bepaalde in artikel 9.3 blijkt immers dat in de eerste volzin enkel sprake is van een bestuurder, en niet meer van huurder, in tegenstelling tot het bepaalde in artikel 9.1. Vervolgens wordt in de tweede volzin van 9.3 gesproken over de werknemer en niet meer van de bestuurder of de huurder. Voor zover derhalve – een vijfde afwijzingsgrond – het boetebeding van toepassing zou moeten worden geacht op een concurrentiebeding dat de werknemer betreft, voldoet dat beding niet aan de fundamentele, in de wet neergelegde, eis dat het in een geschrift is neergelegd, waardoor Y voldoende zekerheid zou hebben gekregen over het bestaan van een concurrentiebeding. Volgt afwijzing van de vordering.