Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 2 september 2016
ECLI:NL:GHARL:2016:7100
werkneemster/Stichting Meriant
Werkneemster is op 1 mei 1978 in dienst getreden bij de rechtsvoorgangster van Meriant, een organisatie die zorg en ondersteuning biedt aan ouderen op onder meer de locaties Coornhert State en Anna Schotanus te Heerenveen. Werkneemster was parttime als verzorgende werkzaam op locatie Coornhert State. Haar laatstgenoten brutosalaris bedroeg € 1.398,40 per maand, exclusief toeslagen en emolumenten zoals een maandelijkse onregelmatigheidstoeslag van € 393,06. Op enig moment hebben zich incidenten voorgedaan op de locatie Coornhert State en is de verhouding tussen werkneemster en haar leidinggevende slecht geworden. Nadien is tussen werkgever en werkneemster discussie ontstaan. Werkgever verlangt dat werkneemster aan een verbetertraject deelneemt. Werkneemster meent evenwel dat zij niet disfunctioneert, maar enkel omwille van de goede verstandhouding bereid was elders te gaan werken (andere locatie). Tussen partijen vinden op enig moment onderhandelingen over het einde van de arbeisdovereenkomst plaats. Werkneemster keert dan niet meer terug op het werk. Werkgever stelt zich op het standpunt dat sprake is van werkweigering en verzoekt ontbinding. De kantonrechter ontbindt op die grond (e-grond) en wijst de transitievergoeding af.
Het hof oordeelt als volgt. Hoewel duidelijk is dat werkneemster niet doordrongen is van de noodzaak van een verbetertraject, hetgeen wellicht verklaarbaar is omdat sinds 2010 geen officiële functioneringsgesprekken hebben plaatsgevonden, kan niet worden gezegd dat zij met betrekking tot de uitvoering van dat traject zodanig verwijtbaar heeft gehandeld dat dit ontbinding op de e-grond rechtvaardigt. De gegrondheid van deze beroepsgronden leidt ertoe dat het hof, in het kader van de devolutieve werking van het hoger beroep, dient na te gaan of het ontbindingsverzoek op de subsidiair aangevoerde g-grond wel toewijsbaar zou zijn geweest. Dat is naar het oordeel van het hof niet het geval. Meriant heeft niet onderbouwd met wie de verhouding verstoord is. Voor zover het hof uit de feiten zou moeten afleiden dat de verhouding tussen werkneemster en haar toenmalige clusterhoofd ernstig verstoord was, is dat ‘opgelost’ door overplaatsing van werkneemster naar de andere locatie van Meriant, terwijl het clusterhoofd bovendien niet meer voor Meriant werkt. Meriant heeft al met al niet onderbouwd dat er sprake was van zodanig verstoorde verhoudingen, dat voortzetting van haar niet gevergd kon worden. Het hof zal Meriant veroordelen tot herstel per 1 oktober 2016 en geen voorziening treffen als bedoeld in artikel 7:682 lid 6 BW (dat krachtens art. 7:683 lid 4 BW van overeenkomstige toepassing is bij een veroordeling tot herstel) voor de periode tussen 10 februari 2016, de datum van ontbinding, en 1 oktober 2016. Daartoe is redengevend enerzijds dat werkneemster op 10 februari nog steeds onbetaald verlof genoot (welke omstandigheid in dit geval voor haar eigen rekening komt), zodat zij in de tussenliggende periode geen inkomens- en/of pensioenschade heeft geleden als gevolg van de ontbinding, en anderzijds dat werkneemster in haar beroepschrift weliswaar herstel van de arbeidsovereenkomst heeft gevraagd, maar eerst tijdens de mondelinge behandeling concreet heeft aangeboden om ook weer daadwerkelijk aan het werk te gaan. Het hof is voorts van oordeel dat in de omstandigheden van dit geval partijen nog korte tijd gegeven moet worden om zich na het wijzen van deze beschikking voor te bereiden op de nieuwe situatie, mede gelet op het feit dat werkneemster sinds 15 september 2015 niet meer voor Meriant heeft gewerkt.