Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Tilburg), 1 maart 2023
ECLI:NL:RBZWB:2023:1350
Feiten
Werknemer is op 1 oktober 2018 in dienst getreden van Veterinary Enterprises Europe B.V. (hierna: VEE) en heeft op 4 oktober 2021 zijn arbeidsovereenkomst met VEE met onmiddellijke ingang opgezegd. Volgens werknemer is VEE tekortgeschoten in de nakoming van haar uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende loonbetalingsverplichting. Werknemer vordert in deze procedure daarom onder meer VEE te veroordelen tot (uit)betaling van loon over de maanden augustus en september 2021 (€ 11.120 bruto), vaste toeslag voor de bijtelling (€ 1.707,24), vakantiegeld over de maanden juni tot en met september 2021 (€ 1.779,20 bruto), dertiende maand (€ 4.170 bruto) en 13,75 niet genoten vakantiedagen (€ 3.586), te vermeerderen met de wettelijke rente en wettelijke verhoging. VEE voert als verweer dat de arbeidsovereenkomst op zijn laatst per 31 juli 2021 in overleg en met wederzijds (mondeling) akkoord is beëindigd en dat werknemer vanaf 1 augustus 2021, of zelfs eerder, geen werkzaamheden meer heeft uitgevoerd voor VEE. Tot slot betwist VEE de door werknemer genoemde hoeveelheid niet genoten vakantiedagen.
Oordeel
De kantonrechter is van oordeel dat de door VEE gestelde mondelinge beëindiging met wederzijds goedvinden in rechte geen stand kan houden. De wet bepaalt immers dat een overeenkomst waarmee een arbeidsovereenkomst wordt beëindigd slechts geldig is als deze schriftelijk is aangegaan. Verder is ter zitting vast komen te staan dat werknemer zijn werkzaamheden in de laatste periode niet geheel, maar nog wel gedeeltelijk heeft verricht. Ingevolge artikel 7:628 lid 1 BW is de werkgever in een dergelijk geval verplicht het naar tijdruimte vastgestelde loon volledig te voldoen, tenzij het geheel of gedeeltelijk niet verrichten van de overeengekomen arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen. Hoewel VEE stelt dat dit laatste het geval is omdat zij zich genoodzaakt zag om diverse bevoegdheden van werknemer in te trekken als gevolg van ontvreemding van dierengeneesmiddelen door werknemer, is de kantonrechter van oordeel dat VEE op dit punt niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Dat brengt met zich dat VEE verplicht is het volledige loon te voldoen, ook al heeft werknemer de overeengekomen arbeid (mogelijk) gedeeltelijk niet verricht. Tot slot heeft VEE de door werknemer genoemde hoeveelheid niet genoten vakantiedagen onvoldoende betwist, aldus de kantonrechter. Alle vorderingen van werknemer worden toegewezen, zij het dat de wettelijke verhoging wordt gematigd tot 10%.