Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep, 30 januari 2020
ECLI:NL:CRVB:2020:211
Appellante woont in Nederland en is tot en met 31 januari 2016 werkzaam via verschillende uitzendbureaus als oproepkracht in de zorg. In verband met een terugloop van het aantal uren vraagt appellante een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aan. UWV kent de uitkering toe met ingang van 1 februari 2016. In de periode hierna blijft appellante werkzaamheden verrichten via uitzendbureaus. De inkomsten worden met de WW-uitkering verrekenend. Op 4 april 2016 verhuist appellante naar Duitsland. Na haar verhuizing blijft appellante in Nederland naar (aanvullend) werk zoeken. UWV wijst het verzoek om de WW-uitkering te mogen exporteren naar Duitsland af. Met ingang van 4 april 2016 wordt de uitkering beëindigd in verband met verblijf in het buitenland. Het bezwaar en beroep worden afgewezen. Volgens appellante moet artikel 65 van Vo 883/2004 zo worden uitgelegd dat deze bepaling ook betrekking heeft op werknemers die naar een andere lidstaat verhuizen tijdens hun werkloosheid. Bovendien zou het UWV een ongerechtvaardigd onderscheid maken tussen grensarbeiders die tijdens hun werkzaamheden gedeeltelijk werkloos worden (die onder de reikwijdte van artikel 65, eerste lid, van Vo 883/2004 vallen) en werknemers die gedurende hun gedeeltelijke werkloosheid grensarbeider worden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Met de rechtbank wordt vastgesteld dat het ontzeggen aan appellante van het recht op WW-uitkering met ingang van 4 april 2016 in overeenstemming is met artikel 64 en artikel 65 van Vo 883/2004. Op grond van deze bepalingen is Nederland in bepaalde gevallen gehouden tot het verstrekken van een werkloosheidsuitkering aan een werkloze die woont of verblijft in een andere lidstaat. De bepalingen voorzien in het toekennen van uitkeringen aan een volledig werkloze die naar het buitenland gaat om daar werk te zoeken, dan wel aan een werkloze die tijdens het verrichten van zijn laatste werkzaamheden in een andere lidstaat dan de bevoegde lidstaat woonde. Geen van deze gevallen doet zich in de situatie van appellante voor. De primaire stelling van appellante dat artikel 65 van Vo 883/2004 ook betrekking heeft op werknemers die naar een andere lidstaat verhuizen tijdens hun werkloosheid, vindt geen steun in het recht. De Raad volgt het standpunt dat artikel 65 van Vo 883/2004 een ongerechtvaardigd onderscheid maakt evenmin. Het door appellante gesignaleerde onderscheid tussen grensarbeiders die tijdens hun werkzaamheden gedeeltelijk werkloos worden en werknemers die tijdens hun gedeeltelijke werkloosheid grensarbeider worden is een rechtstreeks gevolg van het feit dat (thans) de Uniewetgever het toepassingsbereik van artikel 65 van Vo 883/2004 heeft beperkt tot situaties waarin de werknemer zich 'tijdens het verrichten van zijn laatste dienstbetrekking' in een grensoverschrijdende situatie bevond. De Raad ziet geen aanknopingspunten voor de stelling dat de Uniewetgever de situatie van een werknemer die voorafgaand aan zijn gedeeltelijke werkloosheid uitsluitend in één lidstaat heeft gewoond en gewerkt, in rechtens relevante mate vergelijkbaar heeft moeten achten met de situatie van een grensarbeider die tijdens zijn werkzaamheden gedeeltelijk werkloos wordt.
Tot slot vormt artikel 19 van de WW geen ongerechtvaardigde beperking van de vrijheid die iedere burger heeft op grond van artikel 21 VWEU. Appellante betoogt dat artikel 19 van de WW verder gaat dan in haar geval noodzakelijk is om het nagestreefde doel, te weten rechtmatigheid van de uitkering, te bereiken. In de situatie van appellante is de uitsluiting van het recht op werkloosheidsuitkering met toepassing van het woonplaatsvereiste gebaseerd op objectieve overwegingen van algemeen belang die evenredig zijn aan het door het nationale recht nagestreefde doel. Het hoger beroep slaagt niet.