Naar boven ↑

Rechtspraak

appellante/Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
Centrale Raad van Beroep, 6 februari 2020
ECLI:NL:CRVB:2020:334
Analoge toepassing Vixia/Gerrits in die zin dat schending re-integratieverplichtingen geen dringende reden voor ontslag oplevert, gaat niet op. Re-integratieregime voor defensie verschilt van artikel 7:629 BW.

Appellant is werkzaam bij het ministerie van Defensie. Op 1 november 2014 loopt hij tijdens een voetbalwedstrijd een gecompliceerde beenbreuk op. Per 1 november 2014 is hij ziek gemeld. Het herplaatsingstraject, waarin appellant als herplaatsingskandidaat in de zin van het Sociaal Beleidskader Defensie 2012-2016 met ingang van 1 augustus 2014 was geplaatst, is opgeschort en appellant is ten behoeve van zijn re-integratie geplaatst bij het Dienstencentrum Re-integratie (DCR). Bij besluit van 23 mei 2017 verleent de minister van Defensie appellant met ingang van 1 juni 2017 ontslag op grond van artikel 39, tweede lid, onder k, van het Algemeen militair ambtenarenreglement wegens verregaande nalatigheid in de vervulling van zijn plichten (kortweg: plichtsverzuim). De minister verklaart het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond en handhaaft het verleende ontslag. Bij uitspraak van 21 juni 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:7456) verklaart de Rechtbank Den Haag het tegen de beslissing op bezwaar van 21 september 2017 door appellant ingestelde beroep ongegrond. De Raad bevestigt in hoger beroep die uitspraak (ECLI:NL:CRVB:2019:4236). Bij besluit van 6 december 2017 stelt UWV vast dat appellant per 1 juni 2017 recht heeft op een WW-uitkering, maar beslist dat de WW-uitkering niet wordt uitbetaald wegens verwijtbare werkloosheid. Het bezwaar en beroep tegen dit besluit worden ongegrond verklaard. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat geen sprake was van verwijtbare werkloosheid, omdat aan de werkloosheid volgens hem geen dringende reden ten grondslag lag.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. In de uitspraken van 7 november 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3469 en ECLI:NL:CRVB:2018:3467) heeft de Raad geoordeeld dat voor de vraag of er sprake is van verwijtbare werkloosheid, gelet op de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, een materiële beoordeling plaats dient te vinden van de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt. Daarbij is artikel 7:678 van het BW de maatstaf en moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Vaststaat dat appellant vanaf 1 november 2014 tot en met 1 juni 2017 wegens ziekte niet in staat was tot het verrichten van werkzaamheden, zodat sprake was van een situatie die vergelijkbaar is met die van een werknemer die zijn aanspraak op loon ontleent aan artikel 7:629, eerste lid, van het BW. Het derde en het zesde lid van artikel 7:629 van het BW bevatten bijzondere regels die beogen de zieke werknemer te prikkelen de re-integratie, waartoe de werkgever op grond van artikel 7:658a van het BW is gehouden, inhoud te geven en daaraan mee te werken. Gelet op de bijzondere regeling in die artikelleden en de daarin opgenomen sancties bij het niet naleven daarvan, ligt het niet in de rede dat het enkele overtreden van die voorschriften een geldige dringende reden voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomst zal opleveren. Dit is in lijn met het arrest van de Hoge Raad van 8 oktober 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AO9549, Vixia/Gerrits) waarin werd geoordeeld dat de enkele weigering van een werknemer de door de werkgever vastgestelde redelijke voorschriften omtrent controle bij ziekteverzuim na te leven geen dringende reden in de zin van artikel 7:677, eerste lid, van het BW oplevert, doch dat daarvan bij de aanwezigheid van bijkomende omstandigheden wel sprake kan zijn. 

Voor appellant golden, als militair ambtenaar, ten tijde in geding diverse verplichtingen in het kader van ziekte en re-integratie. Deze waren echter anders geformuleerd dan de artikelen 7:629, derde en zesde lid, van het BW en komen ook niet geheel overeen met de betreffende bepalingen. Ook waren er, bij niet-naleving, andere gevolgen aan verbonden. Appellant heeft zijn verplichtingen, zoals die waren neergelegd in de Nota en de Regeling, niet nageleefd. Daarbij waren niet uitsluitend controlevoorschriften in de zin van artikel 7:629, zesde lid, van het BW aan de orde, zodat reeds om die reden een beroep op de beschermende werking van het arrest Vixia/Gerrits niet opgaat. Evenmin is, gelet op de feiten, uitsluitend sprake van het niet nakomen van verplichtingen in het kader van de re-integratie in de zin van artikel 7:629, derde lid. Appellant heeft namelijk, ondanks herhaalde pogingen van zijn werkgever hier verandering in te brengen, gedurende langere tijd, namelijk een periode van ongeveer een jaar, volhard in zijn weigerende opstelling. In die periode heeft de werkgever onder meer herhaaldelijk – en tevergeefs – het instrument van een loonsanctie ingezet, zelfs over een periode die langer was dan volgens de Nota was geoorloofd. Verder bleek het niet mogelijk om met appellant afspraken te maken over zijn medewerking aan zijn re-integratie in die zin dat hij zich hier vervolgens ook aan hield. Dit betekent dat aan het ontslag een dringende reden ten grondslag ligt en dat hem dat, gelet op zijn opstelling, geheel valt te verwijten. Het hoger beroep slaagt niet.