Rechtspraak
Appellant verricht sinds 1 januari 1995 werkzaamheden in dienst van werkgeefster en meldt zich in augustus 2013 ziek. Werkgeefster betaalt het loon vanwege langdurige ziekte van 1 oktober 2014 tot en met 30 april 2015 niet volledig door. Het dienstverband eindigt op 1 november 2015 door middel van een vaststellingsovereenkomst, waarna appellante een WW-uitkering aanvraagt bij UWV. Bij besluit van 23 november 2015 brengt UWV appellante in aanmerking voor een WW-uitkering, gebaseerd op een dagloon van € 128,16. Appellante maakt bezwaar tegen dit besluit, omdat UWV bij de berekening van het dagloon de aangiftetijdvakken heeft meegerekend waarover in verband met ziekte niet het volledige loon is doorbetaald, terwijl voor 1 juli 2015 was geregeld dat deze aangiftetijdvakken werden vervangen door aangiftetijdvakken voordat de ziekte was ingetreden. UWV verklaart het bezwaar van appellante ongegrond. De rechtbank verklaart het beroep van appellante ongegrond en oordeelt dat UWV op goede gronden artikel 6, eerste lid, Dagloonbesluit 2015 heeft toegepast.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Voor 1 juli 2015 werd, indien een werknemer in een aangiftetijdvak binnen de referteperiode geen of minder loon had genoten vanwege ziekte, als loon in dat aangiftetijdvak aangemerkt het loon in het laatste aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak met geen of minder loon. In artikel 6, eerste lid, Dagloonbesluit 2015 is een wijziging doorgevoerd ten opzichte van het Dagloonbesluit 2013 en werd geen uitzondering meer gemaakt in het geval een werknemer in een aangiftetijdvak binnen de referteperiode minder loon had genoten vanwege ziekte. Het gevolg was dat het dagloon voor deze zieke werknemers lager werd vastgesteld dan van een werknemer wiens loon niet was verminderd vanwege langdurige ziekte tijdens de referteperiode. Voor de zuivere <35-situatie is in artikel 2, achtste lid, Dagloonbesluit 2016 de referteperiode verlegd naar het jaar voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden. Deze wijziging heeft geen terugwerkende kracht, met als gevolg dat het dagloon van deze groep met ingang van 1 januari 1017 wordt herzien. Voor de onzuivere <35-situatie is nog een wijziging van Dagloonbesluit 2015 in voorbereiding en dus is onduidelijk of en zo ja, hoe en wanneer het dagloon zal worden herzien. De besluitgever heeft niet toegelicht waarom bij de wijziging van artikel 6, eerste lid, Dagloonbesluit 2013 het uitgangspunt van Walvis (Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in sociale verzekeringswetten) is verlaten. Daarnaast is de reden die aan de wijziging ten grondslag is gelegd gebaseerd op een verkeerde veronderstelling. Hiermee heeft de besluitgever geen, dan wel onvoldoende onderzoek verricht naar de relevante feiten en belangen van de groep werknemers die tijdens de referteperiode minder loon heeft genoten vanwege ziekte. De gevolgen van het gewijzigde artikel 6, eerste lid, Dagloonbesluit 2015 zijn ingrijpend voor zowel de zuivere als de onzuivere <35-situatie. De besluitgever heeft met de wijziging van artikel 6, eerste lid, Dagloonbesluit 2013 dan ook de belangen van beide groepen werknemers miskend. Gelet op het vorenstaande wordt daarom geoordeeld dat de besluitgever in redelijkheid niet tot vaststelling van artikel 6, eerste lid, Dagloonbesluit 2015 heeft kunnen komen zonder een regeling op te nemen die rekening houdt met de belangen van de werknemers die tijdens de referteperiode minder loon hebben genoten wegens ziekte. Dit betekent dat UWV artikel 6, eerste lid, Dagloonbesluit 2015 buiten toepassing dient te laten in zowel de zuivere als de onzuivere <35-situatie. Dit betekent dat UWV bij de berekening van het dagloon met toepassing van artikel 2, achtste lid, van Dagloonbesluit 2016 zal moeten uitgaan van een referteperiode van een jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden. Het hoger beroep slaagt.