Naar boven ↑

Rechtspraak

Het categoraal uitsluiten van herziening van onherroepelijke boetebesluiten die mogelijk in strijd zijn met rechtspraak van de Raad van 24 november 2014 indien niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden, is niet aanvaardbaar.

Appellant wordt met ingang van 1 augustus 2012 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 4 juli 2014 legt UWV aan appellant een boete van € 4.162,90, zijnde 100% van het benadelingsbedrag, op in verband met het niet doorgeven van zijn werkzaamheden via Uitzendbureau in de periode van 17 juni 2013 tot en met 15 september 2013. Appellant treft voor de betaling van de boete en de terugbetaling van ten onrechte verstrekte WW-uitkering een betalingsregeling met UWV. Bij brief van 21 februari 2016 vraagt appellant aandacht voor zijn benarde financiële situatie en verzoekt UWV opnieuw naar de boete te kijken. UWV wijst het verzoek om terug te komen op het besluit van 4 juli 2018 af omdat door appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren zijn gebracht. Dit oordeel wordt bevestigd in beslissing op bezwaar en in beroep door de rechtbank. Appellant erkent in hoger beroep dat hij geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. Hij vindt de weigering van UWV terug te komen van het boetbesluit van 4 juli 2014 echter (evident) onredelijk. Appellant stelt dat hij weliswaar verkeerd heeft gehandeld door zijn werkhervatting destijds niet schriftelijk te melden en acht een boete terecht, maar hij vindt een boete ter hoogte van 100% van het benadelingsbedrag te hoog. UWV bepleit bevestiging van de aangevallen uitspraak. Ondanks het feit dat destijds op grond van het vanaf 1 januari 2013 geldende boeteregime een boete van € 4.162,90 (100% van het benadelingsbedrag) is opgelegd, terwijl een berekening van de boete volgens het huidige boeteregime zou leiden tot een boete van € 2.081,45 (50% van het benadelingsbedrag), is er volgens UWV geen grond om de aan appellant opgelegde boete te herzien en acht UWV de afwijzing op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb juist, mede omdat de wetgever te kennen heeft gegeven een besluit als hier aan de orde niet te willen corrigeren.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen (zie de uitspraak van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872). De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek om terug te komen van een eerder besluit evident onredelijk is. Als het bestuursorgaan beleid voert, toetst de bestuursrechter in de eerste plaats of het bestuursorgaan een juiste toepassing heeft gegeven aan zijn beleid. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Rechterlijke uitspraken worden op grond van vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van de Raad van 12 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1984) niet aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Appellant heeft dus aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag gelegd. Dit gegeven kan de afwijzing van het verzoek om terug te komen van het boetebesluit in beginsel dragen. Vervolgens moet worden beoordeeld of het bestreden besluit om niet terug te komen van het besluit van 18 september 2014 evident onredelijk is. Het beleid van UWV met betrekking tot zijn bevoegdheid om terug te komen van rechtens onaantastbaar geworden boetebesluiten die zijn genomen op grond van het per 1 januari 2013 geldende boeteregime, houdt in dat onherroepelijke boetebesluiten die mogelijk niet in lijn zijn met de uitspraak van de Raad van 24 november 2014 niet worden herzien indien niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Dit beleid is gebaseerd op de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 april 2015 over de gevolgen van bedoelde uitspraak voor reeds genomen boetebesluiten. Volgens dit beleid wordt nooit teruggekomen van eerder genomen besluiten en wordt daarop ook nooit een uitzondering gemaakt. Door aanwending van zijn bevoegdheid tot herziening van de hier bedoelde besluiten categoraal uit te sluiten wordt geen redelijk gebruik gemaakt van die bevoegdheid. Het beleid van UWV is daarom niet aanvaardbaar. Het bestreden besluit is ondeugdelijk gemotiveerd en is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Awb. Het hoger beroep slaagt en UWV wordt opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.