Rechtspraak
In eerste aanleg heeft werknemer werkgever in kort geding gedagvaard en gevorderd primair, vernietiging, schorsing dan wel matiging van het non-concurrentiebeding en subsidiair, toekenning van een billijke vergoeding ex art. 7:653 lid 4 BW. In reconventie vorderde de werkgever, kort gezegd, nakoming van het non-concurrentiebeding op straffe van een dwangsom. De kantonrechter heeft de subsidiaire vordering van werknemer toegewezen en de in reconventie gevorderde nakoming van het concurrentiebeding eveneens toegewezen.
In hoger beroep oordeelt het hof dat de vordering tot matiging dan wel vernietiging niet in een kort gedingprocedure kan worden toegewezen vanwege het definitieve karakter van een dergelijke uitspraak. Wel kan de werking voorlopige worden geschorst, maar daarvoor is na belangenafweging onvoldoende grond. Terecht heeft de kantonrechter de vordering van werknemer tot schorsing van het concurrentiebeding afgewezen.
Handhaving van het concurrentiebeding heeft tot gevolg dat werknemer, die per eind februari 2007 zijn arbeidscontract met OTB had opgezegd, gedurende een jaar tijd in belangrijke mate wordt belemmerd om anders dan in dienst van OTB werkzaam te zijn. Gedurende één jaar is werknemer niet in de gelegenheid zijn op het terrein van de zonne-energie gelegen specialisme te gelde te maken. Het hof is van oordeel dat de schadevergoeding naar billijkheid kan worden gesteld op een bedrag overeenstemmend met drie bruto maandsalarissen (3 × € 2.986,—). Terecht heeft de kantonrechter OTB dan ook veroordeeld om gedurende drie maanden aan werknemer een bedrag overeenstemmend met diens bruto maandsalaris door te betalen.