Naar boven ↑

Rechtspraak

Kern

Een taxichauffeur wordt bij het oversteken van een onbewaakte spoorwegovergang aangereden door een trein. Op grond van de toepasselijke CAO heeft de werkgever een collectieve ongevallenverzekering afgesloten voor haar werknemers. Bovendien heeft de werkgever nog een beperkte aanvullende inzittendenverzekering afgesloten. In rechte vordert de taxichauffeur bij wijze van voorschot een bedrag van € 25.000 en de werkgever de nog te lijden schade te vergoeden.

Volgens de Hoge Raad moet zijn eerdere jurisprudentie (de arresten Bruisma/Schuitmaker, Vonk/Van der Hoeven en De Bont/Oudenallen) gelezen worden in het licht van de bijzondere omstandigheden van het specifieke geval. Daaruit volgt niet dat de werkgever te allen tijde aansprakelijk is voor schade die de werknemer lijdt ten gevolge van een werkgerelateerde verkeersongeval.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat artikel 7:658 en artikel 7:611 BW geen onbeperkte aansprakelijkheid van de werkgever inhouden. Artikel 7:611 BW is nochtans van belang, doordat de werkgever uit hoofde van zijn verplichting zich als een goed werkgever te gedragen, gehouden is zorg te dragen voor een behoorlijke verzekering van werknemer die als bestuurder van een motorvoertuig betrokken raken bij een ongeval. De omvang van de verzekering zal aan de hand van alle omstandigheden van het geval moeten worden beoordeeld, waarbij in het bijzonder betekenis toekomt aan de in de betrokken tijd bestaande verzekeringsmogelijkheden en de heersende maatschappelijke opvattingen over de vraag voor welke schade een behoorlijke verzekering dekking dient te verlenen. Het enkele feit dat een werkgever een verzekering heeft afgesloten conform de toepasselijke CAO, betekent niet direct dat er sprake is van een behoorlijke verzekering.