Rechtspraak
Ontslag bestuurders stichting islamitische basisschool wegens strijd met de wet, statuten en wanbeheer. Staat is belanghebbende in de zin van artikel 2:298 BW. Uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Aanleiding voor het verzoek tot ontslag is het rapport van de auditdienst van OCW en Inspectie van het Onderwijs. In een aantal gevallen sluit het opgevoerde dienstverband van medewerkers van de stichting niet aan bij de daadwerkelijk verrichte werkzaamheden. Dat betekent dat er door de Staat ter beschikking gestelde financiële middelen zijn aangewend om werknemers te betalen die daarvoor geen, althans volstrekt onvoldoende, werkzaamheden hebben verricht. Zulks is in strijd met de wet (WPO). Bovendien moet dit worden aangemerkt als financieel wanbeheer. Naar het oordeel van de rechtbank kan in redelijkheid niet worden getwijfeld aan de onrechtmatigheid van het handelen van het bestuur waar het de dienstverbanden van de schoonmakers betreft. Immers, het gaat om twee (ex)echtgenotes van bestuursleden. In die gevallen moet het bestuur hebben geweten dat er geen, althans aanzienlijk minder werkzaamheden door de schoonmakers waren verricht dan het aantal uren dat achteraf in de arbeidsovereenkomsten werd opgenomen en waarvoor opdracht werd gegeven deze uit te betalen. Bovendien komen hierdoor de andere in het rapport genoemde gevallen in een bedenkelijk licht te staan. Dit wordt nog versterkt door de omvang en samenhang van al die gevallen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van handelen dat als evident strijdig met de wet is aan te merken. Niet in geschil is dat het aldus onterecht toegekende, weer aan de Staat zal moeten worden teruggegeven. Dat was ten tijde van het handelen redelijkerwijs voorzienbaar. Dat betekent dat eveneens van evident (financieel) wanbeheer kan worden gesproken. Voorts is de huidige bezoldiging van één van de bestuurders in strijd met het tweede lid van artikel 8 van de statuten van de stichting. Over de onrechtmatigheid daarvan kan evenmin in redelijkheid verschil van mening bestaan. De conclusie is dat de bestuurders in strijd hebben gehandeld met de wet, de statuten en zich schuldig hebben gemaakt aan wanbeheer, waarbij over de onrechtmatigheid van die handelingen in redelijkheid op het moment dat deze werden verricht geen verschil van mening kon bestaan. Van oneigenlijk gebruik van artikel 2:298 BW of het in strijd handelen met het gelijkheidsbeginsel is niet gebleken. In de ernst van de omstandigheden van het geval vindt de rechtbank voldoende aanleiding de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.