Rechtspraak
Werknemer is op 1 september 2004 bij werkgever in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (zes maanden). In deze arbeidsovereenkomst was een concurrentiebeding overeengekomen. Na verloop van de zes maanden is de arbeidsovereenkomst conform art. 2 lid 2 van de overeenkomst stilzwijgend verlengd in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
De kantonrechter moet beoordelen of sprake is van een rechtsgeldig concurrentiebeding. Werknemer heeft gesteld dat dit niet het geval is nu dit na verlenging van de overeenkomst niet opnieuw schriftelijk is aangegaan. Er is sprake van een stilzwijgend tussen partijen voortgezette arbeidsovereenkomst per 1 maart 2005. In art. 7:668, lid 1 BW is bepaald dat een dergelijke voortzetting wordt geacht op de (zelfde) vroegere voorwaarden te zijn aangegaan. Dit betekent dat bij verlenging ook het eerder schriftelijk overeengekomen concurrentiebeding blijft gelden. Dit geldt temeer nu er geen sprake is geweest van een (ingrijpende) functiewijziging. Of het beding desondanks zwaarder is gaan drukken door de overeenkomst voor onbepaalde tijd, zoals werknemer stelt, doet dan niet meer terzake (HR 5 januari 2007; JAR 2007,37). Hernieuwde schriftelijke vastlegging is dan ook niet strikt noodzakelijk voor het geldend blijven van het beding.