Rechtspraak
Met betrekking tot executiegeschillen is uit de jurisprudentie van de Hoge Raad af te leiden dat slechts in geval van misbruik van bevoegdheid aan de zijde van de executant een rechterlijke beslissing in een latere procedure terzijde kan worden gesteld of door de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging kan worden geschorst. Bedoelde jurisprudentie is gebaseerd op de overweging dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen met zich brengt dat in een executiegeschil geen inhoudelijke bezwaren tegen een uitspraak kunnen worden aangevoerd, ter voorkoming dat het executiegeschil het karakter van een verkapt rechtsmiddel krijgt. In het onderhavige geval gaat het echter om een situatie waar voornoemde jurisprudentie niet op ziet. In casu wordt schorsing van de executie verzocht totdat in rechte op het ingestelde verzoek tot herroeping is beslist. Herroeping is een bijzonder rechtsmiddel dat zich ten aanzien van een gewoon rechtsmiddel als hoger beroep in na te melden zin onderscheidt. In geval van hoger beroep wordt in beginsel hetzelfde feitencomplex dat reeds beoordeeld is, aan een hogere rechter voorgelegd, terwijl bij herroeping nu juist essentieel is dat een nieuwe omstandigheid wordt aangevoerd op basis waarvan de eerdere uitspraak, bij bekendheid met de omstandigheid, anders was uitgevallen. Wanneer in een dergelijk geval schorsing van de executie wordt gevorderd in afwachting van de uitkomst van de herroepingsprocedure, heeft het executiegeschil niet het karakter van een verkapt rechtsmiddel, doch beoogt de eiser die schorsing van de tenuitvoerlegging verlangt, slechts een ordemaatregel te verkrijgen voor de periode dat op het ingestelde verzoek tot herroeping nog niet is beslist.