Naar boven ↑

Rechtspraak

Kern

Werknemer is op 7 augustus 2001 arbeidsongeschikt geworden wegens ziekte. Op 15 maart 2002 is werknemer overleden. Over de periode van 1 augustus 2001 tot 15 maart 2002 heeft werkgever geen loon aan werknemer betaald. De erven van werknemer vorderen thans loon. Werkgever stelt dat werknemer geen aanspraak heeft op loon tijdens zijn (langdurige) arbeidsongeschiktheid, omdat is afgesproken dat werknemer tijdens een eventueel verblijf in Nieuw-Zeeland geen loon zou ontvangen. Het was - volgens werkgever - op verzoek van werknemer om van artikel 7:629 BW af te wijken. Zodoende zou een eventueel lang(er) verblijf geen gevolgen hebben voor zijn arbeidsverhouding en werd hij hiervoor beloond in een hoger salaris. Er was dus geen afwijking ten nadele, maar ten voordele van werknemer.

Het hof verwerpt die stelling. Niet is gesteld of gebleken dat aangaande loon tijdens ziekte een (uitdrukkelijke) afspraak tussen partijen is gemaakt. Een dergelijke afspraak zou overigens in strijd zijn geweest met artikel 7:629 BW waarin is bepaald dat een arbeidsongeschikte werknemer recht op 70% van zijn loon behoudt gedurende het in lid 1 van dat artikel genoemde tijdvak.