Rechtspraak
X is een betonvlechter en heeft in onderaanneming een klus aanvaard tot het vlechten/plaatsen van korven. Toen X op de plaats arriveerde waar de korven geplaatst dienden te worden bleek er geen trappentoren of een andere voorziening aanwezig te zijn om bovenop de werkvloer te komen. X. is hierop naar enige werknemers van Z. NV. gegaan, die verderop aan het werk waren, en hij heeft gemeld dat hij niet in staat was om bij afwezigheid van een trappentoren de korven te plaatsen. Hierop zijn een aantal werknemers van Z meegegaan, die samen met X. één korf hebben geplaatst. Y is toen van het viaduct gevallen (7 meter). X heeft betoogd niet om hulp te hebben gevraagd, maar de spontane hulp te hebben aanvaard.
Gesubrogeerde verzekeraar spreekt X aan. Verweer van X is dat er geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 7:654 lid 4 BW (geen inlening) en subsidiair geen zorgverplichting, omdat deze is blijven rusten bij eigen werkgever Z NV. Kantonrechter heeft de vordering van verzekeraar toegewezen nadat appellante niet meer heeft gereageerd in dupliek. Het hof overweegt dat een expliciete overeenkomst van inlening niet noodzakelijk is voor het van toepassing zijn van artikel 7:658 lid 4 BW. Het stilzwijgend accepteren dat werknemers van een ander bedrijf meehelpen met de door de “inlener” te verrichten werkzaamheden is voorts voldoende voor het aannemen van aansprakelijkheid ex artikel 7:654 lid 4 BW. Daardoor is op X een zorgplicht komen te rusten. Dat Z NV had kunnen zorgen voor een valharnas, doet daaraan niet af.