Naar boven ↑

Rechtspraak

Kern

Werkneemster stelt zich primair op het standpunt dat de volgende passage in hoofdstuk 18 sub b van de CAO nietig is wegens strijd met zowel art. 7:646 als met art. 7:648 BW: “Het budget wordt volledig toegekend indien een huisarts een dienstverband heeft van 20 uur of meer per week bij één werkgever. Bij een dienstverband van minder dan 20 uur per week bij één werkgever wordt het budget naar rato van het dienstverband toegekend.” Volgens werkneemster gaat het bij deze kostenvergoeding om beloning. Daaronder moet krachtens art. 141 EG-verdrag en de Wet gelijke behandeling man/vrouw worden verstaan: alle voordelen in geld of natura uit hoofde van de dienstbetrekking. De CAO maakt indirect onderscheid naar geslacht door op het punt van dit beloningsaspect te onderscheiden tussen hidha's met een contract voor meer en hidha's met een contract voor minder dan 20 uur per week. Uit het NIVEL-onderzoek blijkt immers dat de laatste groep bestaat uit significant meer vrouwen dan mannen. De CAO maakt voorts direct onderscheid naar arbeidsduur nu hidha's met een arbeidsduur van minder dan 20 uur per week een veel kleiner budget ontvangen voor vergoeding van werkelijke gemaakte kosten. Dit onderscheid is volgens werkneemster niet objectief gerechtvaardigd. Werkgever dient haar daarom zowel over 2006 als over 2007 een budget van ? 3.665 toe te kennen.

Omdat blijkens 4.4. en 4.5 onderscheid in de arbeidsvoorwaarden wordt gemaakt op grond van arbeidsduur, moet door de werkgever worden aangetoond dat het onderscheid objectief gerechtvaardigd is. Daartoe dient hij een legitiem doel te hebben met de regeling, de regeling moet geschikt zijn om dat doel te bereiken en daarvoor ook noodzakelijk en proportioneel zijn: het doel kan niet bereikt worden op een manier die geen, of minder, onderscheid oplevert. De opmerking van werkgever dat hij de CAO toepast en aanneemt dat de CAO-partijen aan criteria van legitimiteit, doelmatigheid en proportionaliteit hebbent getoetst, levert naar het oordeel van de kantonrechter geen rechtvaardigingsgrond op. CAO-partijen kunnen niet rechtsgeldig afspraken maken die in strijd zijn met de gelijke behandelingswetgeving. Volgens werkgever is de regeling nodig om kleine dienstverbanden betaalbaar te houden. De kantonrechter acht dat doel niet legitiem: budgettaire redenen zijn geen rechtvaardiging voor verboden onderscheid. Als hij werknemers in dienst neemt, dient hij deze te betalen wat hen toekomt zonder ongerechtvaardigd onderscheid te maken naar arbeidsduur.

Conclusie moet zijn dat de aangevallen passage in de CAO ongerechtvaardigd onderscheid maakt op grond van verschil in arbeidsduur, en daarom nietig is. Aan werkneemster komt daarom zowel over 2006 als over 2007 een budget van € 3.665 toe.