Naar boven ↑

Rechtspraak

Kern

Werkneemster is wegens onrust op de werkvloer (stress/overspannen) naar huis gegaan. Zij heeft zich vervolgens ziek gemeld. Na overleg met de werkgever heeft werkneemster zich op 30 maart 2008 hersteld verklaard en nog diezelfde dag de arbeidsovereenkomst opgezegd. Bij schrijven van 13 april 2008 heeft werkneemster zich op de vernietigbaarheid van de opzegging beroepen wegens misbruik van recht dan wel wilsgebreken. Thans vordert zij loon. In reconventie vordert werkgever schadevergoeding wegens onrechtmatige concurrentie.

Naar aanleiding van de stelling van werkneemster dat ten tijde van haar (hersteld melding en) opzegging een met haar verklaring overeenstemmende wil ontbrak, overweegt de kantonrechter als volgt. Ter afwering van die stelling heeft werkgever betoogd dat - kort weergegeven - zij gezien de gedragingen en handelingen van werkneemster vanaf 30 maart 2006 erop mocht vertrouwen dat haar wil overeenkwam met haar verklaringen omtrent de beëindiging van haar dienstverband. Dat betoog slaagt. De kantonrechter overweegt daartoe dat alle handelingen van werkneemster in de periode ingaande met het gesprek van 30 maart 2006 en eindigende op het moment dat aar brief van 18 april 2006 bij werkgever werd bezorgd, zijn gericht op de beëindiging van haar dienstverband. Werkneemster heeft enige uren na het gesprek van 20 maart 2006 haar opzegging al per email bevestigd en heeft een dag later haar opzeggingsbrief persoonlijk overhandigd aan werkgever. In de periode van 30 maart tot en met 12 april 2006 hebben partijen uitvoerig - en, constateert de kantonrechter, tot in detail - overlegd over de (praktische) afwikkeling van het dienstverband, zoals, voor zover hier van belang, onder meer blijkt uit de emailberichten van 3, 4 en 7 april 2006. Voorts blijkt uit het zakelijk voorstel van werkneemster aan werkgever van 10 april 2006 en haar email aan - onder meer - relaties van werkgever van 11 april 2006 dat ook werkneemster van mening was dat zij haar dienstverband bij werkgever had beëindigd.

Ten slotte overweegt de kantonrechter dat werkneemster ter zitting heeft verklaard dat zij de vernietiging van de opzegging pas op 18 april 2006 heeft ingeroepen omdat die oproeping voor haar de enige mogelijkheid was om actie te ondernemen tegen de onwaarheden die de heer K. over haar bij klanten verspreidde en zij werkgever al bij email van 13 april 2006 had verzocht om K. daarmee op te laten houden. Wat er zij van die laatste wijze van gebruikmaking van de vernietigingsgronden die de wet degene die in het rechtsverkeer bescherming behoeft biedt, het al dan niet overeenstemmen van wil en verklaring van een partij is vanzelfsprekend niet afhankelijk van een ruim twee weken later door die partij gevoelde behoefte aan sanctionering van het gedrag van haar wederpartij.

Onrechtmatige concurrentie

De kantonrechter is van oordeel dat werkneemster door tijdens dienstverband relaties van werkgever te benaderen en voor die relaties op te treden zonder voorafgaande toestemming van werkgever en daarmee zelfs is voortgegaan nadat werkgever haar dat op 13 april 2006 uitdrukkelijk heeft verboden, in ernstige mate heeft gehandeld in strijd met goed werknemerschap als bedoeld in artikel 7:611 BW. Daarmee staat de onrechtmatigheid vast. Alvorens werkgever echter toe te laten tot het bewijs van de door haar gestelde schade, zal de kantonrechter, gebruik makend van de mogelijkheid die artikel 162 Rv hem daartoe biedt, ambtshalve aan werkneemster de openlegging bevelen van de administratie die zij op grond van de wet van de door haar gevoerde onderneming dient te voeren, daaronder begrepen de door of namens haar ingediende aangiften omzetbelasting, een en ander over de periode ingaande op 1 april 2006 en eindigende op 31 december 2006. Volgt aanhouding van de zaak.