Naar boven ↑

Rechtspraak

Kern

Werkneemster is op 17 januari 2000 in dienst getreden bij Mulder in de functie van verkoopmedewerkster. Zij verrichtte haar werkzaamheden hoofdzakelijk bij de vestiging van Mulder in Gorinchem. Op 28 augustus 2000 is werkneemster ingeroosterd in de vestiging te Tiel. Nadat zij die ochtend op de vestiging van Mulder te Gorinchem een auto ter beschikking is gesteld, overkomt zij een eenzijdig verkeersongeval op weg naar de vestiging van Tiel. Zij stelt de werkgever aansprakelijk op grond van artikel 7:658 jo. 7:611 BW. Het hof oordeelt dat werkneemster de schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden, maar dat er een ongevalleninzittendenverzekering voor haar was afgesloten waardoor werkgever niet aansprakelijk kon worden gehouden voor de geleden schade. Tegen dit oordeel stelt werkneemster beroep in cassatie in en Mulder incidenteel beroep in cassatie.

Ten aanzien van het incidentele beroep oordeelt de Hoge Raad het volgende. Ten aanzien van het eerste middel, dat een eenzijdig ongeval niet voor rekening van de werkgever kan komen, overweegt de Raad dat de aard van het ongeval niet beslissend is voor het antwoord op de vraag of dit heeft plaatsgevonden in de uitoefening van de werkzaamheden. In de tweede plaats betoogt het middel, kort samengevat, dat, anders dan het hof heeft geoordeeld, de autorit van werkneemster van Gorinchem naar Tiel niet anders kan worden gekwalificeerd dan als “gewoon woon-werkverkeer”. Het hof heeft op grond van de omstandigheden dat werkgever niet heeft betwist dat zij het rooster had gemaakt, dat werkneemster op initiatief van werkgever in Tiel was ingeroosterd voor 28 augustus 2000 en dat werkneemster die dag eerst naar de vestiging in Gorinchem is gegaan en vervolgens in de ter beschikking gestelde auto richting Tiel is vertrokken, kennelijk geoordeeld dat het vervoer tussen Gorinchem en Tiel op één lijn te stellen is met vervoer dat plaatsvindt krachtens de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst en in het kader van de voor de werkgever uit te voeren werkzaamheden. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Hierbij wordt aangetekend dat ter voorkoming van afbakeningsproblemen tussen verkeer dat wel en dat niet moet worden beschouwd als woon-werkverkeer, in beginsel vervoer van de werknemer dat met het oog op het verrichten van de opgedragen werkzaamheden plaatsvindt tussen verschillende arbeidsplaatsen, zoals tussen verschillende vestigingen van de werkgever, heeft te gelden als vervoer dat plaatsvindt krachtens de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst en in het kader van de voor de werkgever uit te voeren werkzaamheden.

Ten aanzien van het principale beroep oordeelt de Hoge Raad als volgt. Het oordeel van het hof dat werkneemster tijdens het ongeval verzekerd was onder een door Mulder bij Stad Rotterdam afgesloten ongevalleninzittendenverzekering, is aan het hof als feitenrechter voorbehouden en kan in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Het is alleszins begrijpelijk gemotiveerd. Voorzover het onderdeel betoogt dat werkneemster daaraan kennelijk geen rechten kon ontlenen, althans terzake niet schadeloos is gesteld en niets heeft ontvangen, geldt het volgende. Met betrekking tot schade die werknemers lijden in de uitoefening van hun werkzaamheden als deelnemer aan het wegverkeer, heeft de Hoge Raad in zijn arresten van 1 februari 2008, nrs. C06/044 en C06/211, RvdW 2008, 176 en 178 - in het verlengde van hetgeen was overwogen in HR 12 januari 2001, nr. C99/125, NJ 2001, 253 en HR 9 augustus 2002, nr. C00/234, NJ 2004, 235 - geoordeeld dat de werkgever uit hoofde van zijn in art. 7:611 neergelegde verplichting zich als een goed werkgever te gedragen, gehouden is zorg te dragen voor een behoorlijke verzekering van werknemers wier werkzaamheden ertoe kunnen leiden dat zij als bestuurder van een motorvoertuig betrokken raken bij een verkeersongeval.

In het licht hiervan dient de rechter die heeft te oordelen over de door de werknemer aan zijn vordering tot vergoeding van zijn door het ongeval geleden schade ten grondslag gelegde stelling dat de werkgever is tekortgeschoten in zijn verplichting zorg te dragen voor een behoorlijke verzekering als hiervoor bedoeld, niet alleen het al of niet bestaan van een dergelijke verzekering vast te stellen maar ook of de bestaande verzekering kan worden aangemerkt als een behoorlijke in de hiervoor bedoelde zin. Het betoog van werkneemster bij pleidooi in hoger beroep kwam erop neer dat geen ongevalleninzittendenverzekering was gesloten, in welk betoog noodzakelijkerwijs besloten ligt dat zij geen uitkering onder een dergelijke verzekering had ontvangen. Daarom had het hof, nadat het had vastgesteld dat wel degelijk een ongevalleninzittendenverzekering was afgesloten waaronder werkneemster was verzekerd, dienen te onderzoeken waarom werkneemster geen uitkering op grond van die verzekering had ontvangen en in dat kader de vraag onder ogen moeten zien of ten aanzien van die verzekering sprake was van een behoorlijke verzekering in de hiervoor bedoelde zin. De in het onderdeel besloten liggende klacht dat het hof zulks ten onrechte heeft nagelaten, slaagt. Het enkele feit dat werkneemster slechts incidenteel deelnam aan het verkeer, doet niet ter zake.