Rechtspraak
Appellant was werkzaam als vrachtwagenchauffeur. Hij is voor dat werk laatstelijk uitgevallen op 26 januari 2004 met buik-, hoofdpijn- en andere lichamelijke klachten. Bij hem is de ziekte van Crohn geconstateerd. Op 1 oktober 2005 heeft appellant een uitkering aangevraagd ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Volgens de verzekeringsarts is geen sprake van ‘duurzame arbeidsongeschiktheid’. Het Uwv heeft besloten dat appellant een WGA-uitkering toekomt. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en is van mening dat hem een IVA-uitkering toekomt.
De Raad oordeelt als volgt. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. Bij het onderzoek naar de duurzaamheid van een volledige arbeidsongeschiktheid dient de verzekeringsarts volgens het Uwv het door het Uwv vastgestelde beoordelingskader te hanteren, genaamd “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen” (het beoordelingskader). Appellant heeft met betrekking tot dit beoordelingskader betoogd dat artikel 4 van de Wet WIA noch enige andere bepaling van die wet een bevoegdheidsgrondslag voor het Uwv bevat om het beoordelingskader vast te stellen en dat, nu bij het voorbereiden en nemen van het besluit van 4 augustus 2006 dat beoordelingskader is toegepast, reeds om die reden het besluit van 4 augustus 2006 in strijd is met de wet. De Raad kan appellant hierin niet volgen. De Raad is van oordeel dat het Uwv niet de bevoegdheid kan worden ontzegd ter uitvoering van zijn wettelijke taak regels vast te stellen ter uitvoering van die taak en ter interpretatie van wettelijke voorschriften. Hij overweegt voorts dat het beoordelingskader een uitwerking is van, en in grote lijnen overeenkomt met, de procedure die volgens de memorie van toelichting bij het ontwerp van de Wet WIA (TK 2004-2005, 30 034, nr. 3, blz. 29) gevolgd zal worden bij het vaststellen van de duurzaamheid van de volledige arbeidsongeschiktheid. De Raad acht in de beschrijving van die procedure de interpretatie gegeven die de wetgever voorstaat van het begrip duurzame arbeidsongeschiktheid in artikel 4 van de Wet WIA. De Raad acht het ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming wenselijk dat de verzekeringsartsen het beoordelingskader volgen bij hun onderzoek naar de vraag of een verzekerde duurzaam arbeidsongeschikt is te achten. De Raad is echter, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het niet zetten van alle achtereenvolgende stappen van het beoordelingskader niet reeds meebrengt dat om die reden een bepaald besluit strijdt met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel.
Bij de vraag of er sprake is van duurzaamheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. Dit brengt naar het oordeel van de Raad mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde. Tot slot geldt dat als van een stabiele of verslechterende situatie wordt uitgegaan voor het eerste jaar, de vaststelling dat in de periode daarna sprake is van een meer dan geringe kans op herstel, concreet en toereikend dient te worden onderbouwd. Ook uit het beoordelingskader vloeit voort dat indien duurzame arbeidsongeschiktheid wordt aangenomen in het eerste ter beoordeling voorliggende jaar, de ruimte voor de verzekeringsarts beperkt is om in het jaar of de jaren daarna aan te nemen dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is. De Raad ziet dit mede aansluiten bij het systeem van herbeoordeling van de duurzaamheid, zoals neergelegd in artikel 41 van de Wet WIA. In het geval bezwaar wordt gemaakt tegen een besluit waarin is bepaald dat de betrokkene op een bepaalde datum niet duurzaam arbeidsongeschiktheid wordt geacht, zal vervolgens de bezwaarverzekeringsarts zich een oordeel moeten vormen. Uit artikel 7:11, eerste lid, van de Awb vloeit voort dat ook ten aanzien van de inschatting van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid een heroverweging dient plaats te vinden. Dit brengt met zich dat de bezwaarverzekeringsarts, rekening houdend met alle medische gegevens die in bezwaar voorhanden zijn, beoordeelt of de inschatting van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid gehandhaafd moet blijven.
De Raad is van oordeel dat in casu uit de voorhanden zijnde medische gegevens onvoldoende steun is te vinden voor het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat er kans op verbetering is.