Rechtspraak
Werknemer heeft tot 1 januari 2006 vrijwillig extra FPU-pensioen gespaard middels zogenoemde bijspaarproducten. Op 1 januari 2006 is de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/Prepensioen en introductie Levensloopregeling (wet VPL) van kracht geworden. Deze wet had tot gevolg dat de fiscale faciliteit van prepensioenregelingen, waaronder de FPU-regeling, voor personen geboren na 1949 is afgeschaft. Werknemer vordert onder meer terugvordering van zijn vrijwillige extra FPU-opbouw. Daarnaast beroept werknemer zich erop dat de afschaffing van de FPU-regeling voor personen geboren na 1949 (55-minners) terwijl die regeling in stand wordt gelaten voor personen geboren vóór 1950 (55-plussers), en de wijze waarop het ABP in verband met die afschaffing voor de 55-minners een nieuwe pensioenregeling heeft ingericht (PR versie 2006), een verboden onderscheid op grond van leeftijd oplevert waaraan werknemer niet is gebonden. Volgens werknemer is er weliswaar legitimatie voor deze directe leeftijdsdiscriminatie (te weten het bevorderen van langer doorwerken), maar dat de regeling geen passend middel is en niet voldoet aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Werknemer verwijst naar het standpunt van het Centraal Plan Bureau inhoudend dat er werkbare alternatieven zijn, zoals een stapsgewijze overgang om de schade voor ambtenaren met veel dienstjaren te beperken. Deze alternatieven zijn achterwege gelaten.
Het hof oordeelt als volgt. Met betrekking tot de gestelde leeftijdsdiscriminatie overweegt het hof het volgende. De (overgangsregeling van de) wet VPL bevat voorschriften met betrekking tot de fiscale behandeling van de prepensioenregeling, de pensioenregeling en de levensloopregeling. Gelet op de reikwijdtebepaling van art. 3 Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid (WGBL), in werking getreden op 1 mei 2004, is het verbod van onderscheid, voorzien in genoemd artikel 3, niet van toepassing op de (overgangsregeling van de) wet VPL, omdat die overgangsregeling geen betrekking heeft op arbeidsvoorwaarden of arbeidsomstandigheden, maar op de wijze waarop bovengenoemde pensioen- en levensloopregelingen fiscaal worden behandeld. Voor zover zou moeten worden aangenomen dat de (overgangsregeling van de) wet VPL wél kan worden aangemerkt als een regeling die betrekking heeft op arbeidsvoor- waarden als bedoeld in de WGBL, is het hof van oordeel dat het in de (overgangsregeling van de) wet VPL gemaakte onderscheid is gebaseerd op bij of krachtens de wet vastgesteld arbeidsmarktbeleid en strekt tot bevordering van arbeidsparticipatie van de groep van 55-minners. Dat onderscheid is gelet op artikel 7 lid 1 WGBL niet verboden. Artikel 7 WGBL is in overeenstemming met artikel 6 van de Richtlijn 2000/78/EG van de Europese Raad van 27 november 2000, waarop de WGBL is gebaseerd. De stelling dat bedoelde overgangsregeling op grond van Europees recht wegens het daarin gehanteerde leeftijdsonderscheid buiten werking moet worden gesteld dan wel onverbindend moet worden verklaard is door werknemer voor het overige niet verder onderbouwd. Er is dus geen grond om de overgangsregeling van de wet VPL buiten werking te stellen of onverbindend te achten. De vraag of het Hoofdlijnenakkoord over de aanpassing van de regelingen van het ABP aan de wet VPL op grond van de WGBLA is toegestaan, is door de Pensioenkamer van de Raad voor het Overheidspersoneel bij verzoekschrift van 5 oktober 2005 ter beantwoording voorgelegd aan de Commissie Gelijke Behandeling. Deze Commissie heeft geconcludeerd dat de Pensioenkamer geen verboden onderscheid maakt op grond van leeftijd indien hij het Hoofdlijnenakkoord dat sociale partners hebben bereikt over aanpassing van de pensioen- en vutregelingen aan de wet VPL, in werking laat treden (Oordeel van 8 november 2005, nr. 2005-219, Pensioen Jurisprudentie 2005, 136). Het hof volgt de overwegingen en de conclusie van de Commissie. Dit Hoofdlijnenakkoord bevat, zoals werknemer terecht stelt, overigens geen regeling met betrekking tot de bovengenoemde drie bijspaarproducten. Over de afschaffing van de drie bijspaarproducten voor de 55-minners en de toevoeging daarvan aan het ABP KeuzePensioen heeft de Commissie Gelijke Behandeling uitspraak gedaan in haar Oordeel d.d. 7 september 2007, nr. 2007-165, Pensioenjurisprudentie 2007, 137. Dat oordeel luidt dat het ABP geen verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van leeftijd door de aanspraken die voortvloeien uit de bijspaarproducten die tegelijk met de FPU-regeling zijn afgeschaft voor de 55-minners, toe te voegen aan het ABP KeuzePensioen (= ouderdomspensioen conform PR versie 2006) en niet uit te keren of over te hevelen naar de levensloop. Het hof volgt ook dit oordeel. Hetgeen werknemer in de memorie van grieven aanvoert met betrekking tot de mogelijke alternatieven die in verband met afschaffing van de FPU-regeling hadden kunnen worden gekozen, brengt het hof niet tot een ander oordeel, nu het door de sociale partners en het ABP gekozen en uitgewerkt alternatief voldoet aan het legitimiteits-, doelmatigheids- en proportionaliteitsvereiste, en dus geen verboden leeftijdsonderscheid oplevert. Het hof concludeert op grond van het bovenstaande dat toetsing aan de WGBL en de richtlijn niet tot gevolg heeft dat de afschaffing van de FPU-regeling en de wijze van inrichting van PR versie 2006 jegens de 55-minners een verboden onderscheid op grond van leeftijd oplevert. Nu het ABP geen verboden onderscheid op grond van leeftijd heeft gemaakt, kan het ABP zich jegens werknemer erop beroepen dat PR versie 2005 in dat opzicht rechtsgeldig is vervangen door PR versie 2006. Vorderingen van werknemer worden afgewezen.