Rechtspraak
Werknemer is op 1 november 1996 in dienst getreden van Metim als commercieel directeur en vanaf 1998 algemeen directeur. Metim is een bedrijf dat is gespecialiseerd in schilderwerk. Op 25 oktober 2001 wordt werknemer op staande voet ontslagen wegens verdenking van ondermeer frauduleuze handelingen (het niet factureren van schilderwerkzaamheden in privé). In december volgt een tweede ontslag op staande voet. De kantonrechter heeft beide ontslagen nietig verklaard. De arbeidsovereenkomst is inmiddels voorwaardelijk ontbonden.
Het hof oordeelt als volgt. Het eerste ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig, want niet onverwijld verleend. Metim wist reeds in september dat werknemer bepaalde privéaanschaffingen had gedaan en deze wilde verrekening met de winstuitkering. Wat het tweede ontslag op staande voet betreft oordeelt het hof dat deels dezelfde feiten ten grondslag worden gelegd (het niet gefactureerd laten verrichten van werkzaamheden in privé). Nu het ontslag niet rechtsgeldig is verleend komt daarmee de grondslag voor de vorderingen (schadeplichtigheid werknemer) van Metim te ontvallen. Het hof acht geen termen aanwezig over te gaan tot matiging van de loonvordering. Vervolgens vindt er een uitvoerige bespreking plaats welke posten in welke mate bij de eindafrekening betrokken moeten worden.