Rechtspraak
werknemer/Moes
Werknemer is bij (de rechtsvoorganger van) Moes in dienst getreden, laatstelijk in de functie van commercieel manager. Eind 2009 heeft Moes in verband met de verslechterende economische omstandigheden besloten tot een reorganisatie en inkrimping van de onderneming. In dat kader is door Moes voor een achttal werknemers, waaronder werknemer, een ontslagaanvraag ingediend bij het UWV WERKbedrijf. Na verkregen toestemming heeft Moes het dienstverband met werknemer opgezegd per 1 mei 2010. Moes is in verband met de reorganisatie met de vakbonden (FNV Bouw en CNV Vakmensen) een sociaal plan overeengekomen. Aan werknemer is ingevolge het bepaalde in het sociaal plan bij de beëindiging van zijn dienstverband een vergoeding betaald van € 66.992,33 bruto. Deze vergoeding is berekend met toepassing van de kantonrechtersformule met factor C=0,4. Werknemer stelt dat het hem verleende ontslag kennelijk onredelijk is, enerzijds omdat er sprake is van een voorgewende of valse reden en anderzijds omdat de gevolgen van het ontslag voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van Moes bij de opzegging.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Door werknemer is erkend dat bedrijfseconomische redenen ten grondslag liggen aan de reorganisatie en de noodzaak van meerdere ontslagen. Dat er niettemin sprake is van een valse reden, omdat werknemer geen unieke functie had terwijl er geen reden was om juist zijn arbeidsplaats te laten vervallen, kan niet worden onderschreven. Werknemer is door het ontslag in een positie komen te verkeren met weliswaar zeer weinig uitzicht op een nieuwe dienstbetrekking maar tevens met, naast recht op een WW-uitkering, aanspraak op de voorzieningen van het sociaal plan, terwijl zijn positie niet als zodanig bijzonder is aan te merken dat die voorzieningen voor hem niet als toereikend kunnen worden beschouwd. De kantonrechter ziet dan ook onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het ontslag kennelijk onredelijk is. Volgt afwijzing van de vordering.