Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Lypack Holding BV
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 31 mei 2011
ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ7397

werknemer/Lypack Holding BV

Werknemer dient naheffing fiscus bij werkgever na mislukte zwarte uitbetaling van ontslagvergoeding middels aandelentransactie te vergoeden

Werknemer is in dienst geweest van Lypack, laatstelijk in de functie van titulair directeur. Op instigatie van Lypack is de arbeidsovereenkomst met werknemer beëindigd, waarbij partijen ervoor hebben gekozen de afspraken daaromtrent in een vaststellingsovereenkomst vast te leggen. Partijen zijn overeengekomen dat Lypack een ontslagvergoeding van € 70.000 netto in de vorm van een verhoging van de verkoopprijs van de aandelen van Hyproca Holding B.V. (de moedermaatschappij van Lypack) die werknemer hield. In de vaststellingsovereenkomst is bepaald dat eventuele fiscale naheffing tot een bedrag van € 20.000 voor rekening van Lypack komt. De accountant van Lypack heeft kennis gekregen van de vaststellingsovereenkomst, heeft onderliggende stukken opgevraagd en heeft zich tegen verdere uitvoering ervan verzet. Op zijn aandringen is de beëindigingvergoeding als zodanig alsnog aan de fiscus opgegeven en in de belastingheffing betrokken. Lypack heeft opgegeven dat de brutobeëindigingvergoeding € 90.000 bedroeg. Over dit bedrag heeft de fiscus een naheffingsaanslag loonbelasting van € 46.800 opgelegd. Lypack vordert dit bedrag (verminderd met € 20.000) van werknemer. De kantonrechter heeft de vordering toegewezen. Partijen zijn thans nog verdeeld over de omvang van het bedrag.

Het hof oordeelt als volgt. Werknemers' stelling is dat hij, op grond van de vaststellingsovereenkomst, nooit meer dan € 16.400 behoefde te betalen aan belasting over de beëindigingsvergoeding. Het hof kan deze redenering geheel niet volgen. Indien partijen direct open kaart hadden gespeeld over een ontslagvergoeding van € 70.000 zou daarover aan loonbelasting een bedrag van € 36.400 zijn geheven, uitgaande van het door beide partijen gehanteerde 52%-tarief. Deze belasting zou weliswaar als voorheffing bij Lypack in rekening worden gebracht, maar Lypack zou dit gehele bedrag weer integraal mogen verhalen op werknemer, alles opgrond van hoofdstuk IV van de Wet op de loonbelasting 1964. Als zijn belastingontduikingsplannen niet waren gefrustreerd door ingrijpen van de accountant van Lypack en de fiscus had er in latere instantie lucht van gekregen, dan had werknemer ook nog met een aanzienlijke vergrijpboete (of strafvervolging) geconfronteerd kunnen worden. De bijkomende afspraak dat Lypack een gedeelte van de loonbelasting niet zou verhalen, namelijk € 20.000 (die mirabile dictu op verzoek van Lypack in de afspraak is opgenomen) maakt dat deze € 20.000 ook aangemerkt moet worden als een onderdeel van de ontslagvergoeding en daarmee als loon. Derhalve is ook daarover loonbelasting verschuldigd, gelijk de fiscus, op instigatie van de accountant van Lypack, heeft gedaan. Wederom uitgaande van het 52-% tarief betreft dit € 10.400, zijnde de inzet van deze procedure. Ten gevolge van deze afspraak is het totaalbedrag aan belasting dat werknemer nu over de door hem ontvangen brutovergoeding van € 70.000 nog dient af te dragen nu € 26.800, hetgeen nog steeds substantieel lager is dan het bedrag van € 34.600, dat van hem geheven had kunnen worden als partijen recht-toe-recht-aan een ontslagvergoeding van € 70.000 waren overeengekomen.