Rechtspraak
werknemer/Verhoek
Werknemer is op 24 september 1990 bij de rechtsvoorganger van Verhoek, De Klok Logistics, in dienst getreden in de functie van loodsbaas. Op 17 januari 2011 is werknemer arbeidsongeschikt ten gevolge van ziekte geworden. Op 8 februari 2011 heeft hij de bedrijfsarts bezocht. De bedrijfsarts heeft geadviseerd dat werknemer aangepast werk kan doen. Werknemer stelt dat hij daartoe niet in staat is. Op 17 februari 2011 heeft Verhoek werknemer geschreven dat de arboarts heeft vastgesteld dat werknemer geschikt is om aangepaste werkzaamheden te verrichten en dat er passende arbeid wordt aangeboden. Zolang er geen passende arbeid wordt verricht, betaalt Verhoek geen loon. Werknemer stelt tevens dat hij recht heeft op loonbetaling vanaf 8 februari 2010, omdat Verhoek geen passende arbeid heeft aangeboden. Werknemer vordert loon op grond van primair artikel 7:629 lid 1 BW en subsidiair op grond van artikel 7:628 lid 1 BW.
De kantonrechter oordeelt als volgt. De vordering tot betaling van salaris vanaf 8 februari 2011 dient te worden afgewezen. Blijkens het advies van de bedrijfsarts, was werknemer vanaf 9 februari 2011 in staat passende arbeid te verrichten. De brief van werknemer aan Verhoek van 9 februari 2011 komt hierop neer dat hij zich tot het verrichten van welke arbeid dan ook niet in staat acht, wat hij heeft herhaald in zijn brief van 18 februari 2011. De faxbrief van 9 februari 2011 is door Verhoek ontvangen voordat zij in staat was aan werknemer een voorstel tot het verrichten van passende arbeid te doen. De stelling dat Verhoek werknemer ten onrechte geen passende arbeid heeft aangeboden stuit reeds hierop af. Als de kantonrechter werknemer goed begrijpt dan had Verhoek passende arbeid moeten aanbieden ondanks diens nadrukkelijke mededelingen niet tot het verrichten van welke arbeid dan ook in staat te zijn. Dit standpunt is onjuist. Het aanbieden van passende arbeid, in beginsel verplicht op grond van artikel 7:658a lid 1 BW, zou in dit geval, gegeven het standpunt van werknemer, een zinloze exercitie zijn en daartoe is Verhoek uiteraard niet gehouden. De loonvordering is evenmin toewijsbaar op grond van artikel 7:628 BW. Uit het advies van de bedrijfsarts van 8 februari 2011 volgt immers dat werknemer ten gevolge van ziekte ongeschikt is voor het verrichten van de bedongen arbeid. Artikel 7:628 BW is dan niet van toepassing.