Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor Zaaizaad en Pootgoed van Landbouwgewassen/werkneemster
Hoge Raad, 8 juli 2011
ECLI:NL:HR:2011:BQ3514

Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor Zaaizaad en Pootgoed van Landbouwgewassen/werkneemster

Werkgever aansprakelijk voor schade als gevolg van blootstelling aan stof in zaadschoningsafdeling. Voor de rechter geldt een beperkte motiveringsplicht ten aanzien van zijn beslissing om de bevindingen van deskundigen al dan niet te volgen. Omkeringsregel juist toegepast

Werkneemster trad in 1979 in dienst bij (de voorganger van) NAK. Sinds 1993 gaf zij leiding aan de schoningsafdeling van NAK in Ede. Zij werkte daar tot 18 mei 1998, waarna zij overging naar de (nieuwe) schoningsafdeling in Emmeloord. Op 14 september 1998 viel zij wegens ziekte uit. Nadien werkte zij nog in het kader van arbeidstherapie van maart tot december 1999 gedurende enkele perioden drie maal drie uur per week. Na 6 december 1999 heeft zij geen werkzaamheden bij NAK meer verricht. Per 1 maart 2003 trad zij bij NAK uit dienst. Thans vordert zij op grond van artikel 7:658 BW van NAK vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden en te lijden in de uitoefening van haar werkzaamheden voor NAK. Daartoe stelt zij het volgende. Bij haar werk op de schoningsafdeling is zij (door het ondeugdelijk functioneren van de afzuiginstallatie) aan onaanvaardbaar grote hoeveelheden 'stof' blootgesteld. Na de verplaatsing van de afzuiginstallatie van Ede naar Emmeloord in november 1997 is in Ede nog tot maart 1998 met schoningswerkzaamheden doorgegaan. Als gevolg van blootstelling aan onder meer endotoxine heeft zij ernstige gezondheidsklachten ontwikkeld, onder meer in de vorm van ernstige ademhalings- en vermoeidheidsproblemen, en is zij wegens ziekte uitgevallen voor haar werk. NAK stelt zich op het standpunt dat het causaal verband tussen de blootstelling aan de stof en de schade ontbreekt. De arbeidsongeschiktheid is – aldus NAK – te wijten aan niet-arbeidsgerelateerde omstandigheden. In cassatie klaagt NAK onder meer dat het hof ten onrechte de omkeringsregel uit HR 17 november 2000, LJN AA8369, NJ 2001/596 en HR 23 juni 2006, LJN AW6166, NJ 2006/354 heeft toegepast, alsmede dat het hof onvoldoende gemotiveerd voorbij is gegaan aan de betwisting van de juistheid van de conclusies volgend uit de deskundigenoordelen.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. De eerste klacht faalt, omdat het hof uit de diverse medische stukken heeft mogen concluderen dat er wel degelijk een verband is tussen de blootstelling aan de stof en de ingetreden schade.

Naar de kern genomen klaagt het tweede onderdeel dat het hof gelet op de bezwaren van NAK onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang door na te laten nader te motiveren waarom het zich aansloot bij het oordeel van de deskundigen, in weerwil van de door NAK aangevoerde bezwaren. Het onderdeel faalt. De rechter dient, bij de beantwoording van de vraag of hij de conclusies waartoe een deskundige in zijn rapport is gekomen in zijn beslissing zal volgen, alle terzake door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking te nemen en op basis van die aangevoerde stellingen in volle omvang te toetsen of aanleiding bestaat van de in het rapport geformuleerde conclusies af te wijken (vgl. HR 19 oktober 2007, LJN BB5172). Indien de rechter in een geval als dit – waarin de geleerde opinie van andere, door een der partijen geraadpleegde, deskundigen op gespannen voet staat met die van de door de rechter benoemde deskundigen – de zienswijze van de door hem aangewezen deskundige volgt, zal de rechter zijn beslissing in het algemeen niet verder behoeven te motiveren dan door aan te geven dat de door deze deskundige gebezigde motivering, zeker als deze vooral is gebaseerd op bijzondere kennis, ervaring en/of intuïtie, hem overtuigend voorkomt. De rechter zal op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door hem aangewezen deskundige moeten ingaan, als deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze (vgl. HR 5 december 2003, LJN AN8478, NJ 2004/74). Het hof heeft een en ander niet miskend. Ten aanzien van zijn beslissing om de bevindingen van deskundigen al dan niet te volgen, geldt voor de rechter een beperkte motiveringsplicht (vgl. HR 19 februari 2010, LJN BK4476, NJ 2011/121). De bestreden oordelen over de tegen het rapport aangevoerde bezwaren laten zich vanwege hun feitelijke aard in cassatie slechts in beperkte mate toetsen. Het hof, dat (zoals het heeft overwogen) alle door partijen aangevoerde en relevante feiten en omstandigheden in zijn oordeel heeft betrokken, heeft elk van de bezwaren afzonderlijk beoordeeld en gemotiveerd ongegrond bevonden. Deze oordelen zijn niet onbegrijpelijk en onttrekken zich voor het overige wegens hun verwevenheid met waarderingen van feitelijke aard, aan beoordeling in cassatie.

Volgt verwerping van het cassatieberoep.