Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Nederlands-Duitse Handelskamer
Hoge Raad, 8 juli 2011
ECLI:NL:HR:2011:BQ7054

werkneemster/Nederlands-Duitse Handelskamer

Geen vaststellingsovereenkomst tot beëindiging van de arbeidsrelatie is tot stand gekomen omdat partijen nog niet op alle geschilpunten overeenstemming hebben bereikt. Aanbod en aanvaarding. Leer van de essentialia

Werkneemster is op 1 juni 1998 in dienst getreden van Nederlands-Duitse Handelskamer (hierna: NDHK). In september 2004 is werkneemster arbeidsongeschikt geraakt. In november 2005 heeft NDHK werkneemster een voorstel gedaan tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Partijen zijn vervolgens in onderhandeling getreden over de invulling van de vaststellingsovereenkomst met als uitgangspunt C=1,25. Op diverse specifieke onderdelen hebben partijen geen overeenstemming bereikt, zoals de nog uit te betalen vakantiedagen, de hoogte van de vergoeding, pensioenbijdrage en het verval van het concurrentiebeding. Uiteindelijk heeft NDHK de kantonrechter alsnog verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden, hetgeen bij beschikking van maart 2006 heeft plaatsgevonden onder toekenning van een vergoeding aan werkneemster van C=1. Werkneemster heeft vervolgens naleving van de vaststellingsovereenkomst gevorderd. Het hof heeft geoordeeld dat dat geen vaststellingsovereenkomst tot beëindiging van de arbeidsrelatie is tot stand gekomen. Tegen dit oordeel keert werkneemster zich in cassatie.

De advocaat-generaal concludeert als volgt. Nu partijen een alomvattende regeling wensten te sluiten, getuigt de uitleg van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting ter zake van het leerstuk van aanbod en aanvaarding ex artikel 6:217 jo. 3:33 jo. 3:37 BW. Op een aantal onderdelen was immers nog geen overeenstemming bereikt. Ook het beroep van werkneemster op de 'leer van de essentialia' faalt, daar aanvaarding van de vaststellingsovereenkomst onder nadere voorwaarden, pas een feit zou zijn indien op alle punten overeenstemming was bereikt.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.