Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgever/werknemer
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 juli 2011
ECLI:NL:GHARN:2011:BR1325

werkgever/werknemer

Uitleg arbeidsovereenkomst. Wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW is in kort geding toewijsbaar

Werknemer is op 1 mei 2010 bij werkgever in dienst getreden in de functie van algemeen medewerker buitendienst tegen een salaris van € 2825 bruto per maand. Door werkgever is aan werknemer een arbeidsovereenkomst d.d. 25 april 2010 verstrekt. In deze arbeidsovereenkomst staat vermeld dat deze wordt aangegaan voor de periode van zes maanden en derhalve op 31 oktober 2010 eindigt, zonder dat voorafgaande opzegging is vereist. Voorts bepaalt de arbeidsovereenkomst dat de gemiddelde arbeidstijd 40 uur per week bedraagt en de werknemer de beschikking zal krijgen over een bedrijfsauto die ook voor privégebruik zal worden gebruikt, telefoon en een internetverbinding thuis voor de uitoefening van zijn functie. Deze arbeidsovereenkomst is alleen door werknemer en niet door werkgever getekend. Op 4 augustus 2010 is de aan werknemer ter beschikking gestelde tankpas gedeactiveerd en is de mobieletelefoonaansluiting van werknemer geblokkeerd. Werknemer heeft vanaf deze datum geen werkzaamheden meer voor werkgever verricht. Werknemer stelt zich op het standpunt dat werkgever hem niet meer in staat stelt zijn arbeid te verrichten en maakt aanspraak op loon. Werkgever stelt zich op het standpunt dat partijen een nieuwe arbeidsovereenkomst voor de duur van drie maanden met een 38-urige werkweek zijn overeengekomen tegen hetzelfde salaris van € 2.825 bruto per maand. Werknemer zou bezwaar hebben gehad tegen een 40-urige werkweek. De kantonrechter heeft de vorderingen van werknemer toegewezen, bij gebrek aan bewijs van de stellingen van werkgever.

Het hof oordeelt als volgt. Nu werknemer ook in het geding in eerste aanleg heeft betwist dat partijen nadere afspraken over de inhoud van de arbeidsovereenkomst hebben gemaakt, had van werkgever een toelichting mogen worden verwacht waarom werknemer tegen inlevering van slechts twee uren per week bereid was in te stemmen met een aanzienlijke verkorting van de duur van de arbeidsovereenkomst. Het enkele feit dat het aanvankelijk overeengekomen salaris werd gehandhaafd, is daartoe een onvoldoende onderbouwing. Werkgever heeft ook niet toegelicht waarom het voor haar aantrekkelijk was om bij een verkorting van de werkweek met slechts twee uren – onder handhaving van het aanvankelijk overeengekomen salaris – de duur van de overeenkomst te halveren. Het hof neemt ten slotte in aanmerking dat niet is gesteld of gebleken dat werkgever werknemer eind juli 2010 heeft geïnstrueerd over het inleveren van de aan hem ter beschikking gestelde roerende zaken, hetgeen bij een beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 31 juli 2010 voor de hand zou hebben gelegen.

Werkgever heeft terecht opgemerkt dat er op het punt van toewijzing van de wettelijke verhoging over de in een kort geding toegewezen loonvordering geen eenduidig beleid bestaat. Bij de beoordeling dient het arrest van de Hoge Raad van 15 juni 2007, LJN BA1522, NJ 2008, 153, leidraad te zijn. De Hoge Raad heeft in dat arrest geoordeeld dat indien de hoofdvordering voldoende spoedeisend is om in kort geding te kunnen worden beoordeeld, de proceseconomie ermee gebaat is dat in hetzelfde geding ook over een daarmee nauwverwante vordering als die ter zake van buitengerechtelijke kosten wordt beslist. De op grond van artikel 7:625 BW gevorderde wettelijke verhoging over een loonvordering betreft een nauwverwante nevenvordering. Waar het veelvuldig voorkomt dat na een kortgedingprocedure over een aan een (ex-)werknemer toekomend salaris geen bodemzaak aanhangig wordt gemaakt, is de proceseconomie ermee gediend dat in kort geding ook over de nevenvordering ter zake van de wettelijke verhoging wordt geoordeeld. De Hoge Raad heeft in genoemd arrest ook overwogen dat indien de nevenvordering niet of onvoldoende wordt betwist en de hoofdvordering voldoende spoedeisend is, in beginsel mag worden aangenomen dat ook toewijzing van genoemde nevenvordering uit hoofde van onverwijlde spoed geboden is. Nu werkgever de verschuldigdheid van de gevorderde wettelijke verhoging niet en in elk geval onvoldoende heeft betwist, mag ook van de spoedeisendheid van deze nevenvordering worden uitgegaan.