Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Rotterdam, 8 juli 2011
ECLI:NL:RBROT:2011:BR3270

werknemer/werkgever

Arbeidsovereenkomst MUP. Loonvordering op grond van artikel 7:610b BW. Vernietiging ontslagname op grond van dwaling slaagt niet. Bewijslevering werknemer

Werknemer is op 15 september 2006 in dienst getreden, laatstelijk in de functie van chauffeur. Hij is werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht (MUP). Werknemer heeft op 27 januari 2010 zijn ontslag ingediend. Thans vordert werknemer loon, ziekengeld en niet betaald overwerk. Werknemer stelt dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij een oproepovereenkomst had, op basis waarvan hij geen aanspraak kon maken op werk. Deze veronderstelling is onterecht geweest, omdat hij op grond van artikel 7:610b BW vanaf januari 2007 een arbeidsovereenkomst had met een omvang van 47,67 uur. Werknemer voert tevens aan dat hij heeft gedwaald ten tijde van zijn ontslagname, zodat hij op grond van artikel 6:228 BW de vernietiging van die ontslagname inroept.

De kantonrechter stelt op grond van artikel 7:610b BW de arbeidsomvang op 47,67 uur per maand. De loonvordering wordt opgesplitst in de periode voor ontslagname en de periode daarna. Omtrent de periode voor ontslagname overweegt de kantonrechter dat voor het slagen van dit deel van de loonvordering vereist is dat werknemer stelt en, zo nodig, bewijst dat hij steeds beschikbaar was voor de omvang van 47,67 uur. Werknemer was doordeweeks beperkt beschikbaar. Werknemer heeft uitdrukkelijk gesteld dat hij gerechtigd was zijn beschikbaarheid te beperken tot de weekenden, maar werkgever betwist dit. Werknemer zal worden toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat afspraken zijn gemaakt op grond waarvan hij zijn beschikbaarheid tot de weekenden mocht beperken.

De loonvordering na ontslagname baseert werknemer op artikel 6:228 BW. Deze bepaling geldt slechts voor verbintenisscheppende overeenkomsten en voor andere meerzijdige vermogensrechtelijke rechtshandelingen. Een opzegging van de arbeidsovereenkomst kan als zodanig niet worden gekwalificeerd. Dit deel van de vordering wordt derhalve afgewezen. Ten aanzien van het ziekengeld heeft werknemer niet voldaan aan zijn stelplicht, zodat ook deze vordering wordt afgewezen. Tot slot wordt de vordering ten aanzien van niet betaald overwerk deels toegewezen (€ 450). Een deel van de werkzaamheden (waaronder het afstorten van geld) kon werknemer niet tijdens werktijd uitvoeren, zodat deze werkzaamheden als overwerk dienen te worden uitbetaald. Volgt aanhouding van de zaak voor bewijslevering.