Rechtspraak
Rova Gemeenten/werknemer
Werknemer is sinds 1997 in dienst van Rova. Sinds 2007 is werknemer voor 25-35% arbeidsongeschikt verklaard. In december 2009 valt werknemer uit wegens een knieoperatie. Vanaf maart 2010 is werknemer gaan re-integreren. Omstreeks 4 oktober 2010 heeft werknemer zich beter gemeld. Rova heeft deze herstelmelding niet geaccepteerd. De door Rova ingeschakelde arbeidsdeskundige is van oordeel dat werknemer blijvend beperkingen heeft in zijn bewegingsapparaat, waardoor hij geen zwaar werk en fysiek belastende werkzaamheden kan verrichten. Er is binnen Rova geen ander werk voor werknemer dat overeenkomt met de krachten, vaardigheden en bekwaamheden van werknemer, aldus Rova. Rova is dan ook de zogenoemde tweede spoor re-integratie gestart. Op 6 januari 2011 heeft de verzekeringsarts van het UWV op verzoek van werknemer een second opinion afgegeven. Het oordeel van deze verzekeringsarts is dat werknemer zijn eigen werk, medewerker onderhoud cocons, op 14 december 2010 kon doen. Werknemer vordert in de onderhavige kortgedingprocedure veroordeling van Rova om hem in staat te stellen zijn werkzaamheden als medewerker onderhoud cocons op de gebruikelijke wijze te hervatten. De kantonrechter heeft deze vordering toegewezen. Tegen dit oordeel keert Rova zich in hoger beroep.
Het hof oordeelt als volgt. Werknemer vordert om in de gelegenheid te worden gesteld de overeengekomen arbeid te verrichten. Toewijsbaarheid van deze vordering hangt af van de aard van de dienstbetrekking, van de overeengekomen arbeid en van de bijzondere omstandigheden van het geval (Hoge Raad 27 mei 1983, NJ 1983, 758). Een werkgever die zijn werknemer de gelegenheid tot het verrichten van arbeid ontneemt op een grond waarvan de juistheid door de werknemer wordt betwist, zal er naar deze maatstaf in beginsel rekening mee moeten houden dat deze werknemer niet alleen aanspraak zal kunnen maken op doorbetaling van loon doch ook op hervatting van zijn arbeid of eventueel andere passende arbeid. In beginsel zal daarom van de werkgever kunnen worden gevergd dat hij met het oog op een mogelijke gegrondheid van deze laatste aanspraak in zijn bedrijf de mogelijkheid van hervatting van de overeengekomen arbeid of van andere passende arbeid openhoudt (Hoge Raad 12 mei 1989, NJ 1989, 801). Uit de in het geding gebrachte aantekeningen van de verzekeringsarts volgt dat zij wel heeft geprobeerd informatie in te winnen bij de bedrijfsarts en huisarts, maar dat dit niet is gelukt. Hoewel het consulteren van voormelde personen in bepaalde gevallen gewenst kan zijn om een evenwichtig(er) beeld te verkrijgen van de situatie waarin de werknemer verkeert, betekent dit naar het oordeel van het hof niet dat de verzekeringsarts in het onderhavige geval op basis van de door haar vergaarde informatie niet tot een medisch verantwoord oordeel heeft kunnen komen. Het voorgaande heeft ook te gelden voor de FML’s (Functionele Mogelijkheden Lijsten) die de verzekeringsarts niet bij haar oordeel heeft betrokken. De op eigen wetenschap en ervaring gebaseerde bevindingen van de verzekeringsarts, zoals deze blijken uit de aantekeningen, bieden een toereikende grondslag om daaruit conclusies te trekken met betrekking tot de arbeids(on)geschiktheid van werknemer. Anders dan Rova stelt, volgt uit artikel 7:629a lid 3 BW niet dat de verzekeringsarts de werknemer lichamelijk dient te onderzoeken. Lid 3 schrijft de verzekeringsarts voor het onderzoek onpartijdig en naar beste weten te volbrengen. Naar het voorlopig oordeel van het hof is niet gebleken dat de verzekeringsarts partijdig is geweest of haar onderzoek niet naar beste weten heeft uitgevoerd. De conclusie is dan ook dat de rapportage van de verzekeringsarts voldoet aan de eisen die artikel 7:629a BW daaraan stelt.
Volgt bekrachtiging van het vonnis van de kantonrechter.