Naar boven ↑

Rechtspraak

Ondernemingsraad Productie PostNL/Productie PostNL BV
Gerechtshof Amsterdam, 26 juli 2011
ECLI:NL:GHAMS:2011:BR3116

Ondernemingsraad Productie PostNL/Productie PostNL BV

Besluiten PostNL tot invoering van het Marktgericht Bedrijfsmodel is niet kennelijk onredelijk. Vrees voor veronachtzamen van WOR in implementatiefase onvoldoende onderbouwd

In het kader van de sinds 2003 ingezette grote reorganisatie bij TNT Post, inmiddels PostNL, is advies gevraagd over twee voorgenomen besluiten. Het eerste voorgenomen besluit ziet op de oprichting van een Auto Unit (AU). Het tweede voorgenomen besluit heeft betrekking op de invoering van het Marktgericht Bedrijfsmodel (MB). Deze adviesaanvraag had betrekking op een toekomstige organisatie en werkwijze, waarin het uitgangspunt van een gelijkwaardige postbezorging op elke dag wordt verlaten en waarbij de postbodefunctie wordt opgeheven. Naar verwachting van Post zullen de reorganisaties vanaf 2011 gepaard gaan met ongeveer 2800 gedwongen ontslagen. De ondernemingsraad heeft diverse bezwaren geuit tegen beide adviesaanvragen. PostNL heeft – na aanpassing van de oorspronkelijke voorgenomen besluiten – besloten zowel de AU als MB in te voeren. De ondernemingsraad stelt zich op het standpunt dat PostNL in redelijkheid niet tot deze besluiten heeft kunnen komen. De bezwaren van de ondernemingsraad tegen de bestreden besluiten komen er naar de kern genomen op neer, dat postbodes gedwongen ontslagen zullen worden, terwijl het werk dat zij thans uitvoeren wel voorhanden blijft maar zo zal worden georganiseerd dat de goedkopere postbezorgers het kunnen uitvoeren. De ondernemingsraad heeft zich op het standpunt gesteld dat zoveel mogelijk passende werkpakketten (waarin zo nodig verschillende werkzaamheden gecombineerd worden tot voltijds functies) dienen te worden gecreëerd, gebaseerd op de huidige contractomvang van medewerkers, en dat postbezorgers pas mogen instromen als werkzaamheden van uitstromende werknemers zijn aangeboden aan overcomplete medewerkers die zulke werkzaamheden tot hun taak rekenen. PostNL dient de reorganisaties zodanig te faseren dat zo min mogelijk gedwongen ontslagen plaatsvinden, zelfs indien die fasering leidt tot een lager rendement gedurende een bepaalde periode, aldus de ondernemingsraad. Volgens de ondernemer kunnen de beoogde bezuinigingen, gelet op de marktontwikkelingen, niet worden uitgesteld. Verder leiden het piek/dal bezorgmodel en de daarop toegesneden logistieke grondvorm tot een sterk deeltijdkarakter van het uitvoerende werk bij PostNL. Werkpakketten waarvan voor meer dan 25 uur per week bezorging deel uitmaakt, zijn in verband met de regelgeving ten aanzien van arbeidsomstandigheden uitgesloten. Het is organisatorisch niet mogelijk om zogenaamde combinatiefuncties (functies waarin verschillende werkzaamheden gecombineerd zijn) te creëren. De deeltijdpakketten zijn doorgaans niet samen te voegen in de tijd of er zijn belemmeringen van geografische aard. Het aantrekken van postbezorgers sluit het ontslaan van postbodes niet uit, omdat geen sprake is van uitwisselbare functies, aldus nog steeds PostNL.

De Ondernemingskamer oordeelt als volgt. De inhoudelijke klachten falen, daar de ondernemingsraad het principale besluit tot MB niet afwijst, maar enkel bedenkingen heeft bij een aantal accenten. Voor zover de ondernemingsraad met de stelling dat wezenlijke onderdelen van het besluit MB nog niet zijn uitgewerkt heeft willen betogen dat hij terecht vreest dat Post bij implementatie van het marktgericht bedrijfsmodel het bepaalde in artikel 25 lid 1 Wet op de Ondernemingsraden (WOR) niet in acht zal nemen en daarom de aangevallen besluiten (of één daarvan) kennelijk onredelijk is, geldt het volgende. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer zijn daartoe niet zodanige aanwijzingen, dat de ondernemingsraad deze met succes aan zijn verzoek ten grondslag kan leggen. De door PostNL in het besluit MB uitgesproken verwachting dat ‘met betrekking tot de verdere implementatie’ kan worden volstaan met uitvoeringsbesluiten, is daarvoor onvoldoende, te meer aangezien Post in deze procedure heeft onderschreven dat het bij de nadere besluitvorming telkens van de aard van het voorgenomen besluit afhangt of artikel 25 lid 1 WOR dan wel artikel 25 lid 5 WOR van toepassing is. Ook overigens kan niet worden gezegd, dat de besluiten in dit stadium verder uitgewerkt hadden moeten worden. Dat is niet anders nu de ondernemingsraad het advies MB beschouwt als een ‘advies op hoofdlijnen’. Het betoog van de ondernemingsraad dat geen sprake is van een afgerond (voorgenomen) besluit MB behoeft daarom ook met het oog op toekomstige adviesaanvragen geen nadere bespreking. Volgt afwijzing van het verzoek.