Rechtspraak
werkneemster/FNV Bondgenoten
Werkneemster is per 1 juni 1992 in dienst getreden van een rechtsvoorganger van FNV Bondgenoten, Rechtskundige Dienst FNV, daarna bij rechtsvoorganger FNV Ledenservice. Bij FNV Ledenservice had zij op grond van artikel 62 CAO recht op seniorenverlof. Vanaf 57-jarige leeftijd (11 juni 2004) heeft werkneemster, met inachtneming van artikel 62 CAO, iedere dinsdag (ongeveer) 2 uur seniorenverlof opgenomen, vanaf 58 jaar (ongeveer) 4 uur en vanaf 59 jaar (ongeveer) 8 uur. Dit heeft aldus ook plaatsgevonden nadat werkneemster per 1 juli 2004 in dienst kwam bij FNV Bondgenoten en totdat zij op 11 juni 2007 60 jaar werd. In verband met de overgang van werknemers van FNV Ledenservice naar FNV Bondgenoten is per 1 juni 2004 een Harmonisatie CAO gesloten. In de Regeling seniorenverlof van FNV Bondgenoten waarnaar in de Harmonisatie CAO wordt verwezen, staat vermeld dat de toekenning van seniorenverlof eindigt bij het bereiken van de 60-jarige leeftijd. De centrale vraag in de onderhavige procedure is of werkneemster ook na haar 60e jaar aanspraak kan blijven maken op het aantal seniorenverlofdagen dat zij in haar 59e jaar mocht opnemen.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Omdat partijen lid zijn van de partijen die de Harmonisatie CAO hebben gesloten, zijn zij gebonden aan deze opvolgende CAO. De stelling van werkneemster dat FNV Bondgenoten niet bevoegd is tot eenzijdige wijziging van arbeidsvoorwaarden gaat niet op, omdat dit leerstuk niet van toepassing is op gebondenheid aan een cao. Niet kan worden aangenomen dat sprake is van een verworven recht, omdat daarvan alleen sprake kan zijn bij nawerking van algemeen verbindend verklaarde bepalingen, waar in het onderhavige geval geen sprake van is. Voorts is de kantonrechter van oordeel dat de huidige Regeling inzake het leeftijdsverlof op zichzelf beschouwd niet een verboden onderscheid als bedoeld in art. 1 WGBL maakt tussen 60-minners en 60-plussers, omdat daarin de mogelijkheid van spreiding van het totaal aantal uren is opgenomen, ook na het 60e jaar. Wel handelt FNV Bondgenoten in strijd met het goed werkgeverschap ex art. 7:611 BW door werkneemster na haar 59e jaar de daarvoor genoten seniorendagen te onthouden op grond van het volgende:
a. de tekst van de regeling van FNV Ledenservice ziet wel op seniorenverlof na het 59e jaar, dit blijkt uit de woorden ‘59 jaar en ouder’ in art. 62 lid 1 van de CAO FNV Ledenservice;
b. de regeling van FNV Ledenservice bood expliciet geen mogelijkheid om verlof te sparen c.q. te spreiden.
Tegen deze achtergrond had het op de weg van FNV Bondgenoten gelegen om werkneemster er bij het toepasselijk worden van de Harmonisatie CAO, uitdrukkelijk op te wijzen dat deze twee essentiële verschillen met de CAO FNV Ledenservice betekenden dat werkneemster zich er direct op moest bezinnen op welke wijze zij vanaf dat moment van het seniorenverlof gebruik zou gaan maken. Daartoe was temeer aanleiding in het geval van werkneemster, die op het moment van toepasselijk worden van de Harmonisatie CAO nog aan het begin van de periode van opname van seniorenverlof stond en aldus nog veel had kunnen spreiden. Nu het aan FNV Bondgenoten te maken verwijt niet gelegen is in de Regeling seniorenverlof zelf, doch in de toepassing daarvan ten aanzien van werkneemster, ligt het naar het oordeel van de kantonrechter niet voor de hand om FNV Bondgenoten te veroordelen om werkneemster tot haar 65e jaar hetzelfde verlof toe te kennen dat zij op haar 59e jaar heeft: daarmee zou werkneemster (in totaal) een hoger verlofsaldo worden toegekend dan andere werknemers. Wel acht de kantonrechter het redelijk dat werkneemster het totaal aantal verlofuren dat in de Regeling seniorenverlof is genoemd (1260 uur) krijgt toegekend, waarop in mindering strekt het aantal uren dat zij reeds heeft opgenomen.