Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam, 3 augustus 2011
ECLI:NL:GHAMS:2011:BR4231
Ondernemingsraad van Unieke KBO/Unieke KBO
Een aantal provinciale ouderenbonden heeft zich verenigd in een landelijk samenwerkingsverband: de Unie. De Unie heeft een ondernemingsraad ingesteld. Per 1 januari 2011 is de grootste ouderenbond, KBO Brabant, uit de Unie getreden. Vervolgens hebben vier andere bonden hun lidmaatschap per 1 januari 2012 opgezegd. Als gevolg van de uittocht van provinciale bonden en een aanzienlijke vermindering van subsidies zal de Unie moeten reorganiseren, aldus het bestuur van de Unie. Bij deze reorganisatie zullen tien arbeidsplaatsen komen te vervallen. De ondernemer heeft een adviesaanvraag neergelegd bij de OR met betrekking tot de reorganisatie. De OR heeft vervolgens negatief geadviseerd, omdat de financiƫle analyse van de Unie onvoldoende is en dat onduidelijk is hoe de functies en activiteiten zullen worden ingericht. Ondanks het negatieve advies van de OR besluit de ondernemer een tiental werknemers een brief te schrijven waarin staat dat het vanwege de reorganisatie noodzakelijk is hun arbeidscontract te beƫindigen. De OR beschouwt deze brieven als een uitvoeringshandeling en sommeert de bestuurder elke verdere uitvoeringshandeling te staken, omdat onvoldoende op het advies van de OR is ingegaan. De OR start een procedure bij de Ondernemingskamer om de bestuurder te dwingen de reorganisatie te staken, met een beroep op schending van het adviesrecht van artikel 25 WOR.
De Ondernemingskamer van het Hof Amsterdam oordeelt als volgt. Ondanks het feit dat duidelijk is geworden dat een noodzaak tot reorganisatie bestaat en dat bij deze reorganisatie haast is geboden, hiermee niet kan en hoeft te worden afgedaan aan de zorgvuldigheid waarmee het adviesrecht van artikel 25 WOR dient te worden toegepast. Nu de Unie onvoldoende heeft uitgelegd waarom een nieuwe indeling van vrijwel alle functies en functie-eisen noodzakelijk is en waarom de begroting 2011 is opgesteld zoals deze is opgesteld kan slechts worden geconstateerd dat de ondernemer in redelijkheid niet tot zijn besluit heeft kunnen komen. Bij dit alles komt nog dat de Unie aan een aantal medewerkers voorstellen tot vrijwillig vertrek heeft gedaan door middel van het aanbieden van de vaststellingsovereenkomst, voordat het adviestraject was afgerond en het besluit was genomen. Daarmee heeft de Unie, zulks in strijd met het in artikel 25 lid 6 WOR bepaalde, uitvoering gegeven aan het voorgenomen besluit terwijl onderdelen daarvan, waaronder het organogram, het aantal arbeidsplaatsen, de functieprofielen en de wijze waarop de functies vervuld zullen worden nog onderwerp van discussie waren of behoorden te zijn. Deze handelwijze op zichzelf leidt volgens vaste rechtspraak van de Ondernemingskamer al tot het oordeel dat aan de medezeggenschap van de ondernemingsraad tekort is gedaan. Nu de medezeggenschap van de OR tekort is gedaan, zal het verzoek van de OR tot het stopzetten van uitvoeringshandelingen van het besluit door de ondernemer worden toegewezen.