Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam, 26 juli 2011
ECLI:NL:GHAMS:2011:BR6488
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen/werknemer
Werknemer is sinds 1 september 1990 bij (een rechtsvoorgangster van) UWV in dienst. Op de arbeidsovereenkomst zijn van toepassing de bepalingen van de Collectieve Arbeidsovereenkomst UWV (hierna de cao te noemen). Sinds 1 september 2002 is werknemer werkzaam als arbeidsdeskundige. Bij die functie hoort een salaris op grond van salarisgroep of functiegroep 9. Aan werknemer is in augustus 2003 met terugwerkende kracht tot 1 september 2002 uitloopperiodiek A toegekend. In 2004 is aan werknemer in verband met een door hem geleverde 'extra inspanning' als 'blijk van waardering' een extra periodiek toegekend en is hij met terugwerkende kracht tot 1 januari 2004 ingedeeld in functiegroep 9 met uitloopperiodiek B. Met ingang van 1 mei 2007 is een nieuwe cao van toepassing. In artikel 5.6 van de op 1 mei 2007 van kracht geworden cao is bepaald dat in geval van uitstekend functioneren een leidinggevende aan een medewerker voor de duur van een jaar een uitloopperiodiek (A of B) kan toekennen. Na afloop van dat jaar vervalt de uitloopperiodiek, tenzij de leidinggevende na een nieuwe beoordeling besluit deze opnieuw toe te kennen. Is aan een medewerker gedurende vijf achtereenvolgende jaren een uitloopperiodiek toegekend, dan geldt deze na afloop van het vijfde jaar als een vast onderdeel van het salaris. Ten aanzien van een vóór 1 januari 2008 toegekende uitloopperiodiek is bepaald dat deze per die datum een vast onderdeel van het salaris vormt, als zij vanaf 1 januari 2003 vijf jaar achtereen is toegekend. Onder verwijzing naar artikel 5.6 van deze cao heeft UWV in november 2007 aan werknemer meegedeeld dat, nu zijn beoordeling 'goed' maar niet 'uitstekend' was, hij met ingang van 1 januari 2008 niet langer in aanmerking kwam voor indeling in salarisgroep 9 met uitloopperiodiek B. In deze procedure vordert werknemer de veroordeling van UWV tot toekenning van uitloopperiodiek B met ingang van 1 januari 2008. De kantonrechter heeft de vordering van werknemer toegewezen.
Het hof oordeelt als volgt. Uitgaande van de cao-norm is naar het oordeel van het hof, anders dan werknemer meent (waarbij zijn verwijzing naar artikel 5.16 van de cao wordt beschouwd als een verschrijving), artikel 5.6 lid 6, gelet op de duidelijke bewoordingen daarvan, de strekking van de rest van het artikel, te beschouwen als een standaardbepaling, waarvan niet in het voordeel van de werknemer kan worden afgeweken. Het voorgaande betekent dat, nu aan werknemer niet al vanaf 1 januari 2003 onafgebroken uitloopperiodiek B was toegekend en hij, zoals hij ook zelf aangeeft, in de periode voorafgaand aan zijn beoordeling in november 2007 niet uitstekend heeft gefunctioneerd, de uitloopperiodiek B voor werknemer met ingang van 1 januari 2008 verviel.
Volgt vernietiging van het vonnis van de kantonrechter.