Rechtspraak
werknemer/FNV
Werknemer is sinds 1 oktober 1996 in dienst van FNV als beleidsmedewerker. Op 5 december 2005 is werknemer uitgevallen wegens ziekte. Vanaf die datum tot mei 2008 heeft werknemer steeds op basis van wisselende uren in eigen functie werkzaamheden verricht. Op 16 mei 2008 heeft werknemer zich wederom ziek gemeld. Na verkregen toestemming van UWV WERKbedrijf heeft FNV de arbeidsovereenkomst opgezegd per 31 maart 2010. Werknemer vordert schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag. Hij stelt dat FNV in strijd met het opzegverbod tijdens ziekte handelt en dat FNV onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht in het eerste en tweede spoor. Tevens beroept hij zich op het gevolgencriterium.
De kantonrechter oordeelt als volgt. De stelling dat FNV in strijd met het opzegverbod tijdens ziekte heeft gehandeld wordt verworpen. Vanaf december 2005 is werknemer (deels) arbeidsongeschikt. Niet kan worden geoordeeld dat in mei 2008 een nieuwe ziekteperiode is ontstaan. Wel heeft FNV in strijd gehandeld met de re-integratieverplichtingen. Hoewel FNV zich bij cao heeft verplicht om gedurende drie jaar (en in bijzondere gevallen zelfs nog langer) re-integratieverplichtingen na te komen, heeft FNV na de ziekmelding in 2008 geen re-integratie-inspanningen meer verricht. Op geen enkele wijze is geprobeerd om voor werknemer het tweede spoor te activeren. Het ontslag is derhalve kennelijk onredelijk. Ten aanzien van de vergoeding heeft werknemer onvoldoende onderbouwd dat hij tot zijn 65e geen baan meer zal vinden. Bij gebrek aan duidelijke informatie over de kansen van werknemer op de arbeidsmarkt wordt de inkomensschade billijkheidshalve met weging van goede en kwade kansen als bedoeld in artikel 6:105 BW vastgesteld op afgerond € 12.500 bruto. De gestelde pensioenschade is onvoldoende onderbouwd, zodat deze wordt afgewezen. Ook de vordering tot immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.