Rechtspraak
werknemer/werkgever
Werknemer is sinds 1979 in dienst van (de rechtsvoorganger van) werkgever, laatstelijk in de functie van procurement officer. Werknemer ontvangt sinds 1999 een uitkering op grond van de WAO resp. WIA op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage 55-65%. Na verkregen toestemming van UWV WERKbedrijf is de arbeidsovereenkomst tegen 1 juni 2010 opgezegd. Thans vordert werknemer schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag. Primair beroept hij zich op de valse en voorgewende reden, subsidiair op het gevolgencriterium. Hij stelt daartoe dat zijn functie niet werkelijk is komen te vervallen, maar dat zijn functie is vervallen omdat er geen VUT-afspraken gemaakt konden worden. Daarnaast verwijt hij werkgever dat hij dertien maanden voor zijn pensioengerechtigde leeftijd is ontslagen.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het beroep op de valse of voorgewende reden faalt. Vaststaat dat in 2008 en 2009 gesprekken zijn gevoerd over beëindiging van de arbeidsrelatie en dat beide partijen daarvoor openstonden. Ook heeft werknemer niet betwist dat zijn werkzaamheden, onder meer door externe uitbesteding, sterk zijn verminderd. Het beroep op het gevolgencriterium slaagt wel. Omtrent het gevolgencriterium wordt het volgende overwogen. De partiële arbeidsongeschiktheid is niet relevant, omdat werkgever daaromtrent geen verwijt is gemaakt. De feitelijke inkomensteruggang van werknemer is beperkt. Het enkele feit dat daarvoor geen voorziening is getroffen, maakt het ontslag niet kennelijk onredelijk. De kennelijke onredelijkheid is voornamelijk gelegen in de pensioenschade van werknemer. Vast is komen te staan dat werknemer een deel van zijn prepensioen niet kon uitstellen. Onweersproken is dat de uitkeringen van zijn ouderdomspensioen op basis van een geprognotiseerde sterfdatum omstreeks € 4.500 netto lager uitvallen. Die laatste twee omstandigheden dienen mee te wegen in de beoordeling, nu werknemer dat nadeel redelijkerwijs niet meer kon repareren en werkgever zich bovendien relatief hoge pensioenpremies heeft kunnen besparen. Voorafgaande aan de opzegging heeft werkgever dat nadeel wel onder ogen gezien, maar nadien heeft zij op dat punt geen voorziening meer willen treffen. Daaruit vloeit voort dat de aan werknemer toe te kennen schadevergoeding alleen gebaseerd kan zijn op zijn pensioenschade, te bepalen op € 6.000 netto. De vorderingen met betrekking tot de jubileum- en winstdelingsregeling, immateriële schade en kosten voor rechtsbijstand worden afgewezen.