Rechtspraak
werknemer/werkgever
Werknemer is van 1 december 1973 tot 1 maart 2011 in dienst geweest, laatstelijk in de functie van Senior Administrator Royalties and Editorial Fees. Door outsourcing is de functie van werknemer komen te vervallen. Met de ondernemingsraad is afgesproken dat werknemers die boventallig zijn geworden, mogen kiezen uit het voor hen meest gunstige Sociaal Beleidskader (SBK). In een addendum zijn nog twee mogelijke opties opgenomen, waarbij men binnen of buiten het SBK kan blijven. Na verkregen toestemming van UWV WERKbedrijf is de arbeidsovereenkomst van werknemer tegen 1 maart 2011 opgezegd. Werknemer heeft ervoor gekozen per 1 maart 2011 met de VUT te gaan. Thans vordert werknemer schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag op grond van het gevolgencriterium. Hij stelt dat werkgever een verwijt kan worden gemaakt over de wijze waarop met werknemer is omgegaan en dat voor andere voormalig werknemers een aanzienlijk betere regeling is getroffen. Bovendien loopt hij een aanvulling op zijn pensioen mis, doordat hij niet langer kan doorwerken.
De kantonrechter oordeelt als volgt. De reorganisatie heeft voor werknemer nadelig uitgepakt. Het voornemen om tot 64,5-jarige leeftijd te blijven werken, heeft werknemer niet kunnen verwezenlijken. Dit weegt echter niet op tegen het belang van werkgever, die de vrijheid heeft een beslissing tot reorganisatie te nemen. Werkgever heeft zich tijdens het reorganisatieproces voldoende ingespannen om de nadelige gevolgen voor werknemer te ondervangen. Dat werkgever hem vroeg te kiezen tussen de VUT- en SBK-regeling was consequent en in overeenstemming met de regelingen die voor andere werknemers golden en in overleg met de ondernemingsraad waren opgesteld. Werknemer had geen goede gronden om de voordelen van beide regelingen te benutten. Volgt afwijzing van de vordering.