Rechtspraak
Alanheri NV/werknemer
Werknemer is vanaf 1974 in dienst geweest van (de rechtsvoorgangster van) Alanheri, laatstelijk in de functie van adjunct-directeur (Deputy Managing Director) en procuratiehouder. Begin 2007 heeft Recalcico Beheer BV een meerderheidsbelang verworven in Alanheri. De algemene vergadering van aandeelhouders (AVA) van 10 mei 2007 heeft goedkeuring onthouden aan de conceptjaarstukken van Alanheri. Werknemer heeft bij verzoekschrift van 21 januari 2008 ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht. De Kantonrechter Breda heeft bij onherroepelijke beschikking van 18 maart 2008 de arbeidsovereenkomst ontbonden onder toekenning van een vergoeding van € 360.000 aan werknemer ten laste van Alanheri. Op 15 maart 2008 schrijft Alanheri werknemer aan met de volgende verwijten: (a) het verzuim om voorzieningen te treffen voor verlofdagen, (b) de onjuiste administratieve behandeling van incourante voorraden en (c) het vooruitschuiven van kosten. Werknemer wordt op 17 maart 2008 op staande voet ontslagen. Alanheri vorderde (1) een verklaring voor recht dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is, (2) schadevergoeding van de door haar geleden schade en (3) een verbod op executie van de ontbindingsbeschikking van 18 maart 2008. Het hof oordeelde dat de verwijten aan het adres van werknemer in wezen zijn terug te voeren tot het te rooskleurig schetsen van de positie van Alanheri. Alanheri was hiermee reeds bekend, daar zij begin 2007 zelf constateerde dat dit voorgaande het geval was over het jaar 2006. Het had dan op de weg van Alanheri gelegen reeds toen een onderzoek te starten naar mogelijke onjuistheden. Door dat niet te doen, is het ontslag op staande voet niet onverwijld verleend. De werkgever had namelijk eerder op de hoogte kunnen zijn van de dringende reden. Evenmin is de werknemer aansprakelijk voor de schade, omdat niet gesproken kan worden van opzet of bewuste roekeloosheid ex artikel 7:661 BW. Tegen dit arrest keert Alanheri zich in cassatie.
De advocaat-generaal concludeert als volgt. Met de eerste klacht keert Alanheri zich tegen het oordeel van het hof inzake de onverwijldheid. Volgens het hof had Alanheri (in elk geval) in of eventueel kort na augustus 2007 onderzoek naar de rol van werknemer moeten entameren, terwijl zij daar sedertdien vele maanden mee heeft getalmd. Dat talmen nu staat, naar in cassatie niet wordt bestreden, in de weg aan het kunnen aannemen van onverwijldheid. Het hof heeft niet miskend dat de werkgever eerst onderzoek mag laten doen, maar geoordeeld dat Alanheri dit onderzoek niet/niet tijdig heeft geëntameerd.
Met betrekking tot de klacht inzake de werknemersaansprakelijk concludeert de advocaat-generaal als volgt. Alanheri stelt (onder meer) dat werknemer bewust roekeloos handelt indien hij als financieel directeur, verantwoordelijk voor de boekhouding, malversaties pleegt in de financiële verslaglegging. Ook stelt zij dat met opzet wordt gehandeld, indien stukken valselijk worden opgemaakt en vervolgens aan de boekhouding (mede) ten grondslag worden gelegd. Alanheri heeft hiertoe evenwel onvoldoende – mede gezien de gemotiveerde betwisting van werknemer – gesteld om opzet of bewuste roekeloosheid aan te nemen (HR 2 december 2005, LJN AU3261 (City Tax)).
De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 Wet RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.